Citaat | Rechtbank Arnhem 21 juni 2011
Alinea 348 Rechtbank Arnhem 21 juni 2011
Een alinea uit Rechtbank Arnhem 21 juni 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BQ8628.
Om het handelen van verdachte als medeplegen te kunnen aanmerken moet er sprake zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , gericht op de uitvoering van het delict. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte bij deze afpersing niet als medeplegen kan worden geduid. Hierbij is voor de rechtbank van belang dat het de eerste keer was dat medeverdachte [medeverdachte] een afpersing pleegde tijdens het rondjes rijden met de auto samen met verdachte. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de rol van verdachte slechts faciliterend is. De afpersing wordt door [medeverdachte] bedacht en geïnitieerd, de uitvoeringshandelingen worden door hem gepleegd, en alleen hij profiteert van de opbrengst. Het enige wat verdachte heeft gedaan, is met gedoofde lichten op [medeverdachte] wachten en vervolgens vervoeren, wetende dat [medeverdachte] mensen ging beroven. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verdachte medeplichtig is aan de afpersingen. Daarom zal de rechtbank verdachte bij beide feiten vrij spreken van het primair ten laste gelegde en het subsidiair tenlastegelegde bewezen verklaren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a3bd0ebfcc02a033b3ab312adad15497cd830b533e0198819bd5cc9361c425db. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a3bd0ebfcc02a033b3ab312adad15497cd830b533e0198819bd5cc9361c425db, en de alinea staat in dat document op bytes 44236 tot 45453.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a3bd0ebfcc02a033b3ab312adad15497cd830b533e0198819bd5cc9361c425db | shasum -a 256