Citaat | Rechtbank Arnhem 14 november 2012

Alinea 41 Rechtbank Arnhem 14 november 2012

Een alinea uit Rechtbank Arnhem 14 november 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BY6189.

4.5 Het vorenstaande impliceert dat reeds op 2 maart 2006 een einde was gekomen aan de onbeperkte vrijheid van de vennootschap om naar eigen inzicht op haar opeisbare schulden te betalen. Op dat moment stond immers vast dat er onvoldoende middelen beschikbaar waren om alle schuldeisers (volledig) te voldoen en dat er een curator zou worden benoemd om de boedel volgens de wet af te wikkelen. In die situatie bracht de zorgvuldigheid die de vennootschap jegens haar schuldeisers in acht had te nemen mee dat zij zich diende te onthouden van betalingen waarmee de overige schuldeisers zouden worden benadeeld in hun door het faillissement gewaarborgde en door een curator te verzilveren verhaalsmogelijkheden. In zoverre werpen het faillissement en de daarin geldende (verdelings-)regels hun schaduw vooruit, hetgeen anders dan [eiser] c.s. betogen niet haaks staat op het wettelijk systeem. Een soortgelijk effect heeft immers ook de bepaling van artikel 47 van de Faillissementswet. In die bepaling markeert de faillissementsaanvraag het moment waarop het de schuldeisers van de aanstaande failliet, voor zover deze van die aanvraag op de hoogte zijn, niet langer vrij staat om zich door middel van het ontvangen van betalingen op hun opeisbare vorderingen aan de concursus te onttrekken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/87ffb9edca429821dd850a8300924fb0689c49430191e0522a07619c85aa58e9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 87ffb9edca429821dd850a8300924fb0689c49430191e0522a07619c85aa58e9, en de alinea staat in dat document op bytes 15450 tot 16753.