Citaat | Rechtbank Breda 27 maart 2002

Alinea 121 Rechtbank Breda 27 maart 2002

Een alinea uit Rechtbank Breda 27 maart 2002, ECLI:NL:RBBRE:2002:AE0901.

De bank kan niet op een moment dat het haar uitkomt er toe overgaan om het saldo van de kredietruimte uit te betalen aan de schuldenaar. Daartoe is een voorafgaande wilsuiting van de schuldenaar nodig. De mogelijkheid om die wil te uiten als een vermogensrecht te zien, gaat de grenzen van wat volgens art. 3:6 BW onder vermogensrecht moet worden verstaan, te buiten. Het is immers niet die wilsuiting die stoffelijk voordeel oplevert, maar veeleer de daaraan ten grondslag liggende krediet-overeenkomst, terwijl het ook die overeenkomst is die, met toestemming van de bank, door de schuldenaar kan worden overgedragen. De wilsuiting kan hoogstens door een derde worden uitgeoefend.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c6d908fcaf728f04a01221bdab6192d7186afcdd82e82062db00125cdc9a1623. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c6d908fcaf728f04a01221bdab6192d7186afcdd82e82062db00125cdc9a1623, en de alinea staat in dat document op bytes 27131 tot 27826.