Citaat | Rechtbank Den Haag 25 juli 2013
Onder 4.2. Rechtbank Den Haag 25 juli 2013
Een alinea uit Rechtbank Den Haag 25 juli 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:9096.
Volgens Eiseressen handelt de Staat door het toestaan van elektrische oplaadstations op of in de omgeving van de Locaties die bij Eiseressen in gebruik zijn in strijd met de afspraken tussen partijen zoals die zijn vastgelegd in artikel 7 van het Convenant en/of in de Bilaterale Overeenkomsten, te meer nu deze afspraken zijn ingegeven door de wens om de Concessiehouders te compenseren voor de omstandigheid dat zij bepaalde rechten hebben ingeleverd. Partijen hebben afgesproken dat – in ieder geval tot 1 januari 2024 – geen nieuwe verkooppunten voor motorbrandstoffen zullen worden toegestaan en dat alleen de bestaande vergunninghouders het recht zouden hebben om motorbrandstoffen te verkopen, ongeacht het soort energie, aldus Eiseressen. Volgens Eiseressen mochten zij erop vertrouwen dat de Staat zich aan de gemaakte afspraken zou houden. De Staat heeft echter betwist dat slechts de bestaande Concessiehouders in aanmerking komen voor de plaatsing van een oplaadstation en hij heeft zich op het standpunt gesteld dat dit ook nimmer de bedoeling van partijen is geweest. Doel van het Convenant was immers het openbreken van de markt voor benzine en diesel (en aanverwante fossiele brandstoffen), zijnde de markt waarvoor de Concessies zijn verleend, aldus de Staat. Bij beoordeling van de over en weer ingenomen standpunten stelt de voorzieningenrechter vast dat in het Convenant het begrip “motorbrandstoffen” niet is gedefinieerd. Kennelijk was het ten tijde van het sluiten van het Convenant voor partijen evident wat onder dit begrip werd verstaan. Die evidentie is slechts te verklaren wanneer de achtergrond van de totstandkoming van het Convenant bij de uitleg van het Convenant wordt betrokken. De Staat heeft er daarbij terecht op gewezen dat die achtergrond betrekking had op het reguleren van de markt langs het hoofdwegennet voor de op dat moment gebruikelijke en dus fossiele brandstoffen. Tekenend is in dit verband dat in de considerans van het Convenant de term “benzinemarkt” wordt gebruikt. De Staat heeft dan ook naar voorlopig oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat het ‘Alternatief Traject ‘MDW Benzine Hoofdwegennet’ slechts betrekking had op de markt voor de toentertijd gebruikelijke fossiele brandstoffen, zodat de afspraak die is vastgelegd in artikel 7 van het Convenant, alsmede de naar aanleiding van het Convenant tot stand gekomen Benzinewet, ook tot die markt beperkt is. In ieder geval kan, anders dan Eiseressen hebben betoogd, noch uit het Convenant of de Bilaterale Overeenkomsten, noch uit de Benzinewet een exclusief recht van de Concessiehouders worden afgeleid met betrekking tot de verkoop van de op dat moment nog toekomstige energievormen voor de aandrijving van motorrijtuigen. Dat zou immers betekenen dat de levensvatbaarheid van nieuwe technieken zoals de elektrische aandrijving van motorrijtuigen, die naar de Staat onweersproken heeft gesteld, in belangrijke mate wordt beïnvloed door de aanwezigheid van een landelijk dekkend netwerk van (snel)oplaadpunten, bij voorbaat in handen van Eiseressen is gelegd, ook in die situatie waarin zij er kennelijk zelf nog geen heil in zien activiteiten op dat terrein te ontwikkelen. Dat elektriciteit in fiscaal opzicht als motorbrandstof wordt aangeduid, leidt niet tot een ander oordeel aangezien het thans niet om een fiscale beoordeling gaat, maar om een uitleg van het Convenant en de Benzinewet. De voorzieningenrechter acht de door Eiseressen gegeven uitleg van de gemaakte afspraken, die meebrengt dat de toekomstige ontwikkelingen in het kader van het elektrische rijden gefrustreerd zouden worden, in het licht van het voorgaande dan ook niet aannemelijk. Van schending van enig door de Staat gewekt vertrouwen is naar voorlopig oordeel evenmin sprake. Voor zover Eiseressen zich ter onderbouwing van hun stelling dat zij het exclusieve recht hebben om een vergunning aan te vragen beroepen op de Richtlijn van 31 januari 2011, waarin wordt vermeld dat de elektrische oplaadpunten als aanvullende voorzieningen bij de tankstations zouden worden beschouwd, wordt overwogen dat de Staat ter zake voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze Richtlijn een interne Richtlijn van de Staat is, waaraan Eiseressen geen rechten kunnen ontlenen, en voorts dat ook in die Richtlijn reeds is aangekondigd dat het daarin verwoorde beleid mogelijk wordt heroverwogen indien blijkt dat het beleidsuitgangspunt dat elektrische oplaadpunten gefaciliteerd zullen worden in gevaar komt doordat er te weinig aanvragen voor een vergunning worden gedaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aa3808e562b1bfd5aecb0fb85b49a54750c1a67f597232bed8807bb73a8f91bb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aa3808e562b1bfd5aecb0fb85b49a54750c1a67f597232bed8807bb73a8f91bb, en de alinea staat in dat document op bytes 34390 tot 38975.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/aa3808e562b1bfd5aecb0fb85b49a54750c1a67f597232bed8807bb73a8f91bb | shasum -a 256