Citaat | Rechtbank Den Haag 7 mei 2014

Onder 3.6. Rechtbank Den Haag 7 mei 2014

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 7 mei 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:5582.

De omstandigheid dat niet alle eiseressen zelf de gang naar de bestuursrechter kunnen maken, levert ook geen grond op om een uitzondering te maken op de in 3.4 vermelde hoofdregel. Weliswaar ondervinden ook de eiseressen die niet zelf belastingplichtig zijn, de financiële gevolgen van de verhuurderheffing, maar hun belang is dan een afgeleide van het financiële belang van hun dochtermaatschappijen. Dit belang van deze eisers is niet te beschouwen als een bovenindividueel belang dat – via een omweg – ingrijpen door de civiele voorzieningenrechter mogelijk maakt. Hierbij kan in het midden blijven welke positie de afzonderlijke eiseressen in dit opzicht precies hebben ten opzichte van de belastingplichtigen in kwestie. De verwijzing naar lastgevingen en houdster- of dochtermaatschappijen roept vragen op die daardoor onbeantwoord kunnen blijven. Bij dit een en ander is overigens, anders dan de Staat heeft betoogd, niet relevant dat twee eiseressen bezwaar hebben gemaakt tegen de verhuurderheffing 2013. Mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen dienen eiseressen (of hun desbetreffende dochtermaatschappijen) met betrekking tot de verhuurderheffing 2014 dus individueel de rechtsgang bij de belastingrechter te volgen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c0eb194d7a8e5e6d167067fa4fdb2070b091e5b73a98d997ecf2d504c1d51348. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c0eb194d7a8e5e6d167067fa4fdb2070b091e5b73a98d997ecf2d504c1d51348, en de alinea staat in dat document op bytes 30987 tot 32242.