Citaat | Rechtbank Den Haag 7 mei 2014

Alinea 56 Rechtbank Den Haag 7 mei 2014

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 7 mei 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:5583.

23. Vooropgesteld dient te worden dat artikel 26 van het IVBPR niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbiedt, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepaling als gelijk moeten worden beschouwd, en in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij dat van redelijke grond ontbloot is. Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is (zie HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1206).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/39df858d579d4c36fdf46c20808533dcb76e4b33b9f5529cfef2c10057dde8d8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 39df858d579d4c36fdf46c20808533dcb76e4b33b9f5529cfef2c10057dde8d8, en de alinea staat in dat document op bytes 23130 tot 24255.