Citaat | Rechtbank Den Haag 24 januari 2014

Onder 1.1 Rechtbank Den Haag 24 januari 2014

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 24 januari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8681.

Eiser is met een geldige machtiging tot voorlopig verblijf Nederland ingereisd en heeft op 12 januari 1999 een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 22 augustus 2002 heeft verweerder deze aanvraag met toepassing van artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vv) afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Alkmaar, van 18 mei 2005 (AWB 02/71909, 03/8511) ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft het hoger beroep van eiser bij uitspraak van 18 oktober 2005 (nr. 200505535/1) gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 18 mei 2005 vernietigd, het beroep gericht tegen het besluit van 22 augustus 2002 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De Afdeling heeft in haar uitspraak overwogen dat de grieven, gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser misdrijven heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F) Vv, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. De Afdeling heeft het hoger beroep gegrond verklaard, omdat de rechtbank had miskend dat verweerder in het besluit van 22 augustus 2002 in het midden heeft gelaten of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich duurzaam tegen zijn uitzetting verzet en hij in geval van uitzetting niet kan terugkeren naar Afghanistan. Verweerder heeft bij besluit van 7 september 2007 de asielaanvraag van eiser wederom met toepassing van artikel 1(F) Vv afgewezen. In datzelfde besluit heeft verweerder eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ongewenst verklaard. Tegen de afwijzing van de asielaanvraag heeft eiser beroep ingesteld en tegen de ongewenstverklaring heeft hij bezwaar gemaakt. Bij besluit van 11 juni 2008 heeft verweerder het bezwaar tegen de ongewenstverklaring ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 april 2010 (AWB 08/22078) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Dordrecht, het beroep gericht tegen de ongewenstverklaring ongegrond verklaard en het beroep gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat verweerder artikel 1(F) Vv niet langer aan hem kan tegenwerpen. Deze uitspraak heeft de Afdeling bij uitspraak van 9 december 2010 (201004725/1/V1) bevestigd. Uit het voorgaande volgt dat thans de tegenwerping van artikel 1(F) Vv aan eiser in rechte vaststaat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b710d04438058da1d99ed386a015b7f3168b0b8fb7ea9a82df99653c24cf36de. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b710d04438058da1d99ed386a015b7f3168b0b8fb7ea9a82df99653c24cf36de, en de alinea staat in dat document op bytes 7790 tot 10550.