Citaat | Rechtbank Den Haag 4 maart 2015

Onder 4.8. Rechtbank Den Haag 4 maart 2015

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 4 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:2443.

In het licht van de bestaande onduidelijkheid dient de rechtbank thans de vraag te beantwoorden of in het onderhavige geval aansprakelijkheid van de mede-bezitter moet worden aanvaard. De rechtbank ziet – anders dan door [eiseres] verzocht – geen aanleiding deze vraag prejudicieel voor te leggen aan de Hoge Raad. Ingevolge artikel 392, eerste lid, Rv kan de rechter een dergelijke rechtsvraag stellen indien een antwoord op deze vraag nodig is om op de eis te beslissen en rechtstreeks van belang is ofwel voor een veelheid aan vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten (onderdeel a) ofwel voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet (onderdeel b). Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een situatie als bedoeld in onderdeel a. Evenmin staat vast dat er sprake is van een situatie als omschreven in onderdeel b. [eiseres] heeft weliswaar gesteld dat er veel vergelijkbare zaken zijn, maar heeft dit niet nader onderbouwd, terwijl De Goudse heeft betwist dat er een dwingende reden is een prejudiciële vraag voor te leggen. Voorts heeft De Goudse er op gewezen dat het hier gaat om een zaak waarin eerst alle feiten dienen te worden vastgesteld en die feiten mede van belang zijn voor de uiteindelijke beoordeling van het geschil. Dat alles is voor de rechtbank reden deze zaak zonder het stellen van een prejudiciële vraag af te doen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dd9deeafae0402762721d4d96a6891232e092194fae31699f60eb280c0ab155f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dd9deeafae0402762721d4d96a6891232e092194fae31699f60eb280c0ab155f, en de alinea staat in dat document op bytes 25472 tot 26962.