Citaat | Rechtbank Den Haag 10 juli 2015

Onder 4.20. Rechtbank Den Haag 10 juli 2015

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 10 juli 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:8082.

GIA c.s. stelt zich op het standpunt dat de artikelen 125 en 127 Rv zich naar hun aard niet lenen voor toepassing in kort geding. GIA c.s. verwijst naar lagere rechtspraak die dat bevestigt. Voorts stelt zij dat de artikelen 125 en 127 Rv i.c. ook niet van toepassing kunnen zijn omdat GIA c.s. op 20 augustus 2014 (op de door de voorzieningenrechter vastgestelde datum) producties heeft ingediend die kunnen worden aangemerkt als een conclusie van antwoord in kort geding. GIA c.s. stelt dan ook dat vanaf 20 augustus 2014 het kort geding niet meer kon komen te vervallen als bedoeld in artikel 125 Rv. GIA c.s. stelt dat de artikelen 249 en 250 Rv wel van toepassing zijn in kort geding. Het Procesreglement heeft geen wettelijke basis en kan deze artikelen niet buiten werking stellen, aldus GIA c.s. GIA c.s. vindt in het bevelschrift van Hof Den Haag voldoende grondslag voor analoge toepassing van de artikelen 249 en 250 Rv in dit geschil en acht daarom het stellen van prejudiciële vragen niet nodig. GIA c.s. heeft zich voorts uitgelaten over de voorgestelde prejudiciële vragen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fcce694051b2a33c212e10f783da08c64d18bdddf90004e1f12a714668db7783. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fcce694051b2a33c212e10f783da08c64d18bdddf90004e1f12a714668db7783, en de alinea staat in dat document op bytes 26043 tot 27147.