Citaat | Rechtbank Den Haag 30 januari 2015

Onder 1.2. Rechtbank Den Haag 30 januari 2015

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 30 januari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:940.

10. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het WBV 2014/36 en de bijbehorende werkinstructie 2014/10 relevant kunnen zijn voor het onderhavige besluit, waarbij verzoekers aanvraag om aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. In het bestreden besluit is aan verzoeker tegengeworpen dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten en van niet-onverwijld melden. Volgens het nieuwe beleid leiden deze omstandigheden niet meer tot de conclusie dat van het relaas positieve overtuigingskracht dient uit te gaan, maar worden deze gewogen als onderdeel van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Zo wordt in de werkinstructie 2014/10 uiteengezet dat voor de beoordeling van de geloofwaardigheid gebruik wordt gemaakt van interne en externe geloofwaardigheidsindicatoren, welke vervolgens nader worden beschreven. Daarbij worden ook indicatoren voor de weging gegeven. In de werkinstructie 2014/10 staat bijvoorbeeld vermeld dat vanzelfsprekend zwaar in het nadeel van de vreemdeling weegt, het verstrekken van valse informatie of documenten of het achterhouden van relevante informatie of documenten en dat dat in bepaalde gevallen er zelfs toe kan leiden dat een inhoudelijke beoordeling van de relevante elementen achterwege kan blijven. Ook blijkt uit de werkinstructie dat aan de hand van de geloofwaardigheidsindicatoren wordt beoordeeld hoezeer en door welke zware en lichte omstandigheden de geloofwaardigheid van het relevante element wordt aangetast of versterkt, dat in dat verband een balans dient te worden opgemaakt en dat het resultaat van die weging resulteert in de conclusie of een relevant element als geloofwaardig of als geloofwaardig wordt aangenomen. Vervolgens dient aan het eind van de weging een conclusie te worden getrokken welke relevante elementen als geloofwaardig en welke als niet geloofwaardig worden aangemerkt. Daarbij wordt uitdrukkelijk vermeld dat het daarbij van belang is dat de relevante elementen niet enkel los van elkaar, maar ook in onderlinge samenhang worden gewogen, zeker als relevante elementen die eerst ieder op zich zijn besproken, deel uitmaken van een en dezelfde verhaallijn van elkaar opvolgende gebeurtenissen. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet op voorhand uit te sluiten dat de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling niet tot een gunstiger resultaat zou kunnen leiden dan de beoordeling van de positieve overtuigingskracht onder het oude beleid. De voorzieningenrechter deelt daarom niet het standpunt van verweerder dat in zaken waarin artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 is tegengeworpen en waarin tot ongeloofwaardigheid is geconcludeerd, op grond van het WBV 2014/36 en de bijbehorende werkinstructie de relevante elementen ook zonder meer ongeloofwaardig worden geacht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal verweerder telkens in concrete zaken gemotiveerd dienen aan te geven op welke wijze in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling de relevante elementen los dan wel in onderlinge samenhang zijn gewogen en tot welke uitkomst deze weging heeft geleid. Pas dan kan beoordeeld worden of in een concrete zaak sprake is van een andere uitkomst. Nu naar het oordeel van de voorzieningenrechter het WBV 2014/36 en de bijbehorende werkinstructie 2014/10 relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit, waardoor wordt voldaan aan het vereiste van artikel 83, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, en de in het derde lid van artikel 83 van de Vw 2000 genoemde situaties zich hier niet voordoen, dient bij de beoordeling van het beroep met de beide regelingen rekening te worden gehouden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/312980fb11d75bae80abcbffceb668681d4a1c982ad7cbba8e7462ad3c300ede. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 312980fb11d75bae80abcbffceb668681d4a1c982ad7cbba8e7462ad3c300ede, en de alinea staat in dat document op bytes 18592 tot 22351.