Citaat | Rechtbank Den Haag 24 augustus 2015
Onder 4.3. Rechtbank Den Haag 24 augustus 2015
Een alinea uit Rechtbank Den Haag 24 augustus 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:9986.
Volgens [eiser] is het oordeel van het gerechtshof op een onzorgvuldige wijze tot stand gekomen omdat met zijn zienswijze onvoldoende rekening is gehouden. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de WETS niet voorziet in een recht voor de betrokkene om zijn standpunt met betrekking tot de erkenning en tenuitvoerlegging van een opgelegde straf in een andere lidstaat kenbaar te maken. Het IOS heeft [eiser] in het onderhavige geval deze mogelijkheid wel geboden en [eiser] heeft daarvan ook gebruik gemaakt. Uit de hiervoor in 2.9. en 2.11. vermelde e-mailberichten blijkt genoegzaam dat het gerechtshof op 20 april 2015 heeft laten weten dat de van de zijde van [eiser] op 6/13 maart 2015 aan IOS gezonden stukken het gerechtshof geen aanleiding geven om het eerder gegeven oordeel te herzien. Het gerechtshof heeft deze stukken derhalve wel degelijk beoordeeld en anders dan [eiser] kennelijk meent is voorshands dan ook niet gebleken dat het gerechtshof met de zienswijze van [eiser] geen rekening heeft gehouden. In het licht van de uitzonderlijke situatie dat [eiser] onverplicht in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt toe te lichten, heeft [eiser] naar voorlopig oordeel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op het gerechtshof de verplichting rustte om te onderbouwen waarom geen aanleiding werd gezien om op het eerdere oordeel terug te komen. Voor zover [eiser] heeft betoogd dat het gerechtshof ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de opgelegde straf in duur aan te passen, wordt overwogen dat dit oordeel is voorbehouden aan het gerechtshof en dat de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van dit oordeel slechts marginaal kan toetsen. [eiser] heeft in dit verband naar voorlopig oordeel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het gerechtshof in redelijkheid niet tot zijn oordeel heeft kunnen komen, zodat aan het betoog van [eiser] op dit punt voorbij wordt gegaan. Gelet op het voorgaande is voorshands onvoldoende gebleken dat het oordeel van het gerechtshof op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Dat het gerechtshof heeft geweigerd de door [eiser] op 20 maart 2015 ingediende aanvullende stukken bij de beoordeling te betrekken leidt niet tot een ander oordeel, aangezien de Staat onbetwist naar voren heeft gebracht dat die stukken betrekking hadden op de voorwaardelijke invrijheidstelling, een kwestie die het gerechtshof gelet op zijn in artikel 2:11 lid 3 WETS omschreven taak niet regardeert. Het gerechtshof dient immers te beoordelen of er gronden zijn om de erkenning van de uitspraak te weigeren, of de ten uitvoer te leggen sanctie is opgelegd voor een feit dat ook naar Nederlands recht strafbaar is en of er aanleiding bestaat voor aanpassing van de sanctie. Het gerechtshof oordeelt dus niet over de termijn van de voorwaardelijke invrijheidstelling en de beoordeling van de vraag of de strafrechtelijke positie van [eiser] door tenuitvoerlegging van de straf in Nederland wordt verzwaard is voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie. Derhalve valt niet in te zien dat [eiser] door de weigering van het gerechtshof om acht te slaan op de aanvullende stukken in zijn belangen is geschaad.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2533d96f2ec960ac8b81c3b8c1ad484f1498f55b69361a0d63566a569423d68. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2533d96f2ec960ac8b81c3b8c1ad484f1498f55b69361a0d63566a569423d68, en de alinea staat in dat document op bytes 25067 tot 28232.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f2533d96f2ec960ac8b81c3b8c1ad484f1498f55b69361a0d63566a569423d68 | shasum -a 256