Citaat | Rechtbank Den Haag 24 augustus 2015
Onder 4.5. Rechtbank Den Haag 24 augustus 2015
Een alinea uit Rechtbank Den Haag 24 augustus 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:9986.
Op grond van artikel 2:11 lid 7 WETS mag de aanpassing van de strafduur als bedoeld in (onder meer) artikel 2:11 lid 5 WETS niet leiden tot een verzwaring van de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie. [eiser] stelt zich op het standpunt dat in zijn situatie bij de erkenning van het arrest in strijd met de WETS geen rekening is gehouden met het uitgangspunt dat een veroordeelde in België na een derde van de straf voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld. Het gerechtshof heeft immers nagelaten om de straf die [eiser] moet ondergaan zodanig in duur aan te passen dat hij na een derde van de hem opgelegde gevangenisstraf van 10 jaar vrij komt, aldus [eiser] . Op grond van artikel 17, lid 4, van het hiervoor in 2.3. genoemde Kaderbesluit kan bij de tenuitvoerlegging van een in een andere EU-lidstaat opgelegde gevangenisstraf in Nederland rekening worden gehouden met het tijdstip waarop de veroordeelde in die lidstaat in aanmerking zou zijn gekomen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. De Minister van Veiligheid en Justitie kan op grond van artikel 15 lid 7 Sr bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling op een eerder tijdstip plaatsvindt dan na het ondergaan van twee derde deel van de opgelegde straf. Echter, daarvoor is noodzakelijk dat zeker of met grote mate waarschijnlijk is dat de veroordeelde op dat eerdere tijdstip in het land van veroordeling ook daadwerkelijk in vrijheid zou zijn gesteld. [eiser] heeft naar voorlopig oordeel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat die situatie zich voor doet. Immers, anders dan [eiser] kennelijk meent, komt een veroordeelde in België, in het geval dat hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan drie jaar, na een derde deel van zijn straf slechts in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling, maar dit betekent geenszins dat daarvan automatisch sprake is. De betrokkene dient de gunstigere regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling immers te ‘verdienen’ door zijn gedrag tijdens detentie en hij dient een verzoek tot toepassing van die gunstigere regeling voor te leggen aan de rechter. Gelet op het voorgaande kan met betrekking tot [eiser] derhalve niet tot uitgangspunt worden genomen dat zeker of met grote mate waarschijnlijk is dat hij in België na een derde van zijn straf voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld. Van de door [eiser] gestelde strafverzwaring door tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in Nederland is dan ook voorshands niet gebleken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2533d96f2ec960ac8b81c3b8c1ad484f1498f55b69361a0d63566a569423d68. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2533d96f2ec960ac8b81c3b8c1ad484f1498f55b69361a0d63566a569423d68, en de alinea staat in dat document op bytes 30856 tot 33380.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f2533d96f2ec960ac8b81c3b8c1ad484f1498f55b69361a0d63566a569423d68 | shasum -a 256