Citaat | Rechtbank Den Haag 19 februari 2016

Onder 7.1 Rechtbank Den Haag 19 februari 2016

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 19 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:10607.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de rapporten van FCO van 21 januari 2015 en het Country Report van 1 juli 2015 zien op de periode tot en met 2014 en geen wezenlijk andere informatie bieden dan besproken bij de zitting bij de Afdeling van 16 januari 2015, waarbij namens verweerder het standpunt is ingenomen dat in Benghazi geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. De Afdeling oordeelde bij uitspraak van 27 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:780), dat de rechtbank ten onrechte had overwogen dat verweerder ondeugdelijk had gemotiveerd dat zich in Benghazi niet de uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn voordoet. Ten aanzien van de verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 juli 2015 merkt verweerder op dat hij bij brief van 28 augustus 2015, gebruikmakend van de door de rechtbank geboden mogelijkheid om het gebrek dat zijn standpunt over 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn onvoldoende was gemotiveerd te herstellen, zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat en waarom het beleid van de ons omringende landen, dat een divers beeld geeft, en de veiligheidssituatie, alhoewel zorgwekkend, geen aanleiding geven te oordelen dat in Libië sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Het in voornoemde uitspraak van 21 juli 2015 aan de orde zijnde landenrapport over Libië van 19 december 2014 is een co-productie van Nederland, België, Zweden en Noorwegen, maar de lidstaten hebben een eigen beoordelingsruimte voor wat betreft de interpretatie van dat rapport. Nederland hoeft de beoordeling van een andere lidstaat niet te volgen. Niet is gebleken dat Noorwegen subsidiaire bescherming verleent, slechts dat besluiten ten aanzien van Libiërs en hun vertrek worden opgeschort. Voorts is niet gebleken dat de European Asylum Support Office of het Europese Hof voor de Rechten van de Mens hebben geconcludeerd dat zich in Libië een situatie voordoet als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. De omstandigheid dat Zweden zulks partieel aanneemt ten aanzien van Libië, biedt verweerder geen aanleiding om dat te volgen. Verweerder betrekt hierbij dat uit het landenrapport van 19 december 2014, alsook uit andere bronnen, geen betrouwbaar beeld van het aantal burgerslachtoffers naar voren komt. De schattingen die diverse bronnen vermelden, wijken van elkaar af. Volgens het landenrapport en de website van Libya Body Count is het aantal burgerslachtoffers niet te scheiden van het totaal aantal slachtoffers, waaronder die van de strijdende fracties. Libya Body Count zegt expliciet: “No distinction is made regarding victims: all deaths are counted”. Uit de door eiser ingebrachte brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 29 mei 2015 en het rapport van HRW van 25 mei 2015 kan volgens verweerder niet worden afgeleid dat het geweld zodanige structurele vormen heeft aangenomen dat van een wisselende mate van geweld geen sprake meer is. Nu de strijd zich beperkt tussen de strijdende milities en zich met name in wisselende mate afspeelt in en rond de steden Tripoli en Benghazi, is het in Libië aanwezige geweld niet wijdverbreid. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hieruit derhalve niet kan worden afgeleid dat de situatie in 2015 in relevante zin is gewijzigd en dat het geweld zodanige structurele vormen heeft aangenomen dat van een wisselende mate van geweld geen sprake meer is. Voorts merkt verweerder op dat uit de cijfers van Libya Body Count blijkt dat in de periode van 1 januari 2015 tot 22 augustus 2015 in totaal 1259 dodelijke slachtoffers zijn te betreuren. De meeste slachtoffers vielen in Benghazi (402). Ter vergelijking, in geheel 2014 vielen in totaal 2825 dodelijke slachtoffers, waarvan de meeste in Benghazi (1471). De meeste doden vielen in de maanden juli tot en met oktober 2014, tussen 450 en 500 per maand. In 2015 schommelde het aantal doden tussen 100 en 200 per maand (http://www.libyabodycount.org/location en http:www.libyabodycount.org/date). Met enige voorzichtigheid kan worden geconcludeerd dat, indien de veiligheidssituatie in de komende mate niet drastisch in negatieve zin wijzigt, het aantal slachtoffers in vergelijking met 2014 lijkt te dalen. Er is ten opzichte van 2014 een stijging van het aantal ontheemden, doch in het licht van de hiervoor weergegeven cijfers van Libya Body Count concludeert verweerder dat deze stijging geen indicatie vormt voor een toename van het geweld in Libië. Verweerder verwijst voorts naar de beleidsbrief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 16 januari 2015 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-1942.html) waarin staat:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/61d521093b1c70adace7bfe3bbaf70ba0d79f935b38f975d250466e6f4bea667. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 61d521093b1c70adace7bfe3bbaf70ba0d79f935b38f975d250466e6f4bea667, en de alinea staat in dat document op bytes 47421 tot 52322.