Citaat | Rechtbank Den Haag 19 februari 2016
Onder 7.2 Rechtbank Den Haag 19 februari 2016
Een alinea uit Rechtbank Den Haag 19 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:10607.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de algemene veiligheidssituatie in Benghazi zodanig is dat thans moet worden aangenomen dat een burger die terugkeert louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw. In de voornoemde uitspraak van 27 februari 2015 heeft de Afdeling inzake de situatie in Benghazi overwogen dat uit de in die zaken beoordeelde stukken het beeld naar voren komt dat, hoewel bij de gewapende strijd tussen rivaliserende groepen gevechtsmethoden worden gebruikt die het risico op willekeurige burgerslachtoffers verhogen, het geweld in intensiteit wisselt en voornamelijk tussen rivaliserende groeperingen plaatsvindt. Uit die stukken blijkt volgens de Afdeling weliswaar dat het aantal slachtoffers en ontheemden aanzienlijk is, maar dit aantal is, afgezet tegen het aantal inwoners van Benghazi, niet dusdanig hoog dat de conclusie gerechtvaardigd is dat zich in Benghazi de bedoelde uitzonderlijke situatie voordoet, nu in die stukken geen onderscheid wordt gemaakt tussen slachtoffers van gericht geweld en willekeurige burgerslachtoffers. De door de eiser in de onderhavige zaak ingeroepen stukken komen, zoals verweerder terecht concludeert, overeen met, dan wel geven geen wezenlijk ander beeld van de algemene veiligheidssituatie in Benghazi dan de stukken die de Afdeling in voornoemde uitspraak heeft betrokken bij haar beoordeling. Zo heeft de Afdeling ook het landenrapport van 19 december 2014 betrokken bij haar beoordeling en heeft overwogen dat de cijfers over slachtoffers en ontheemden in dat landenrapport en de cijfers in de door de vreemdelingen in die zaak ingeroepen stukken, zijn gebaseerd op gegevens van dezelfde organisaties. Ook eiser heeft zich beroepen op gegevens en cijfers van de UNHCR, HRW, FCO en het US Department of State, terwijl het landenrapport van 19 december 2014 ook is gebaseerd op gegevens en cijfers van onder meer deze organisaties. Weliswaar heeft eiser ook recentere stukken ingebracht van die organisaties dan de stukken die zijn meegenomen bij het opstellen van het landenrapport, maar deze stukken geven geen wezenlijk ander beeld van de algemene veiligheidssituatie. Ook de andere informatie, zoals berichtgeving van 19 augustus 2014 en een artikel van Reporters without Borders van 11 augustus 2014, die eiser heeft ingebracht, geeft geen wezenlijk ander beeld van de algemene veiligheidssituatie in Benghazi dan de stukken die zijn betrokken door de Afdeling in de voornoemde uitspraak. Daarbij komt dat uit het landenrapport van 19 december 2014 blijkt dat tegen het einde van de verslagperiode een verbetering in de situatie in de stad Benghazi waarneembaar was en dat het normale leven weer werd hervat. Verder blijkt dat het aantal slachtoffers per maand in 2015 tot het einde van de verslagperiode lager was dan het gemiddeld aantal slachtoffers per maand in 2014. Ten aanzien van het betoog van eiser dat in België en Zweden de algemene veiligheidssituatie in Libië anders wordt gekwalificeerd, verwijst de rechtbank naar de voornoemde uitspraak van 27 februari 2015, waarin de Afdeling heeft overwogen dat dat niet tot een ander oordeel leidt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/61d521093b1c70adace7bfe3bbaf70ba0d79f935b38f975d250466e6f4bea667. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 61d521093b1c70adace7bfe3bbaf70ba0d79f935b38f975d250466e6f4bea667, en de alinea staat in dat document op bytes 53870 tot 57185.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/61d521093b1c70adace7bfe3bbaf70ba0d79f935b38f975d250466e6f4bea667 | shasum -a 256