Citaat | Rechtbank Den Haag 21 januari 2016
Onder 6.6.4 Rechtbank Den Haag 21 januari 2016
Een alinea uit Rechtbank Den Haag 21 januari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1529.
De vraag waarvoor de rechtbank zich wel gesteld ziet, gelet op hetgeen feitelijk omtrent de verzonnen beschuldigingen is aangevoerd, is of daarmee onverwijld – dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf – is aangetoond dat de opgeëiste persoon onschuldig is, ofwel dat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld. De opgeëiste persoon dient daartoe aanstonds te kunnen bewijzen dat de verdenking op een misslag berust en hij de feiten niet kán hebben begaan, omdat hij bijvoorbeeld een onbetwistbaar alibi heeft of sprake is van een aantoonbare persoonsverwisseling.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8ec26f433cadd05305cbe4d51d22a3ca21cf20670c1952c457ade7b7a19dd60f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8ec26f433cadd05305cbe4d51d22a3ca21cf20670c1952c457ade7b7a19dd60f, en de alinea staat in dat document op bytes 16134 tot 16831.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8ec26f433cadd05305cbe4d51d22a3ca21cf20670c1952c457ade7b7a19dd60f | shasum -a 256