Citaat | Rechtbank Den Haag 17 februari 2016

Onder 4.5. Rechtbank Den Haag 17 februari 2016

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 17 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1579.

[eiser] is zijn rijbewijs kwijtgeraakt in september 1995. Hij heeft aangifte gedaan van vermissing op 3 november 1995, naar zijn zeggen als gevolg van het feit dat hem toen een verkeersboete werd opgelegd die hem niet aanging. De gevolgen van de identiteitsfraude hebben zich in 1996 in toenemende mate gemanifesteerd: [eiser] kreeg in dat jaar (onder meer) een groot aantal boetebeschikkingen en hij werd gegijzeld. Volgens [eiser] was ook gevolg van de identiteitsfraude dat hem een bijstandsuitkering werd hem onthouden (zie onder 2 in dit vonnis). De rechtbank is van oordeel dat [eiser] weliswaar eind 1995/begin 1996 bekend werd met de schade, doch dat hij toen nog niet voldoende aanknopingspunten had voor het vaststellen van onrechtmatig handelen van de Staat en daarmee het bestaan van eventuele aansprakelijkheid van de Staat voor die schade. De in 2.9 genoemde brief biedt in ieder geval onvoldoende basis om te concluderen dat [eiser] reeds toen daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering tot vergoeding van zijn in schade in te stellen. Andere feiten of omstandigheden die die conclusie wel kunnen dragen, heeft de Staat (op wie in deze de stelplicht en bewijslast rust) niet gesteld en zijn anderszins ook niet gebleken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b44a1ecec0e299887eb217b9c95990ad0213107054c0434612985329d5b79f3a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b44a1ecec0e299887eb217b9c95990ad0213107054c0434612985329d5b79f3a, en de alinea staat in dat document op bytes 40908 tot 42171.