Citaat | Rechtbank Den Haag 17 februari 2016
Onder 4.9. Rechtbank Den Haag 17 februari 2016
Een alinea uit Rechtbank Den Haag 17 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1579.
In dit laatste verband merkt de rechtbank nog op dat, indien de procedure die [eiser] aanhangig heeft gemaakt bij het EHRM op 10 februari 2006 moet worden beschouwd als het instellen van een eis als bedoeld in artikel 3:316 lid 1 BW, geldt dat de op 14 januari 2004 aangevangen verjaringstermijn met ingang van eerstgenoemde datum in beginsel is gestuit en voorts opnieuw is aangevangen. Stuiting wordt in dat geval geacht niet te hebben plaatsgevonden als de eis wordt afgewezen, tenzij tijdig, binnen zes maanden, opnieuw een eis wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt. Ingevolge het tweede lid van dat artikel had [eiser] dus, gegeven het feit dat zijn eis tot vergoeding van schade door het EHRM bij uitspraak van 14 februari 2012 grotendeels is afgewezen, om de verjaring te stuiten een nieuwe eis bij de civiele rechter moeten instellen binnen zes maanden nadat de uitspraak van het EHRM in kracht van gewijsde ging, te weten uiterlijk op 14 augustus 2012. Dat heeft [eiser] niet gedaan. Ook langs deze weg beredeneerd is de vordering dus verjaard.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b44a1ecec0e299887eb217b9c95990ad0213107054c0434612985329d5b79f3a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b44a1ecec0e299887eb217b9c95990ad0213107054c0434612985329d5b79f3a, en de alinea staat in dat document op bytes 46561 tot 47641.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b44a1ecec0e299887eb217b9c95990ad0213107054c0434612985329d5b79f3a | shasum -a 256