Citaat | Rechtbank Den Haag 30 mei 2016
Onder 13 Rechtbank Den Haag 30 mei 2016
Een alinea uit Rechtbank Den Haag 30 mei 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:6217.
14. Voor zover eiser, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 22 november 2011 inzake Andreyev tegen Estland (met name overweging 73-74), heeft aangevoerd dat de omstandigheid dat sprake is van een (evident) falende advocaat van belang is bij de beoordeling van de vraag of er met betrekking tot het besluit van 19 mei 2014 sprake is geweest van een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, had hij dit aan de orde moeten stellen in een tegen het besluit van 19 mei 2014 gericht rechtsmiddel. De rechtbank verwijst verder naar de uitspraak van de Hoge Raad van 16 januari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:16) die verweerder in het verweerschrift heeft aangehaald. De rechtbank ziet geen grond om over de vraag, of in het kader van de onderhavige procedure een inhoudelijk beoordeling van de - op nationale wet- en regelgeving gebaseerde - intrekking van eisers verblijfsvergunning geboden is, prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/41c7c2e9c59600cbdde323913da339be2c7eb6beb3901e1a4f4c28bf981b9c88. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 41c7c2e9c59600cbdde323913da339be2c7eb6beb3901e1a4f4c28bf981b9c88, en de alinea staat in dat document op bytes 20133 tot 21231.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/41c7c2e9c59600cbdde323913da339be2c7eb6beb3901e1a4f4c28bf981b9c88 | shasum -a 256