Citaat | Rechtbank Den Haag 30 mei 2016

Onder 13 Rechtbank Den Haag 30 mei 2016

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 30 mei 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:6217.

22. Wat zoon [zoon] betreft heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet (voldoende) is aangetoond dat tussen eiser en zijn zoon [zoon] sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de gestelde meer dan gebruikelijke afhankelijkheid niet met een medisch verifieerbaar bewijsstuk, afgegeven door een daartoe bevoegd persoon of instantie, is aangetoond en waarom de in dit kader ingeroepen brief van 29 september 2014 van Pro Persona geestelijke gezondheidszorg, die louter is opgesteld op basis van verklaringen van de zoon zelf, in dit verband niet toereikend wordt geacht. De overgelegde brief van 18 mei 2015 van Pro Persona maakt dit volgens verweerder niet anders omdat in die brief wordt opgemerkt dat eisers zoon daar niet meer onder behandeling is, dat ze zoon tijdens zijn behandeling noemde zich weerloos te voelen zonder de steun van zijn vader, maar dat details daarover bij Por Persona niet bekend zijn en ook geen behandeldoel zijn geweest, zodat aan de opmerkingen in de brief geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Verweerder heeft daarbij aangetekend dat het als normaal moet worden aangemerkt dat ouders hun kinderen hulp en ondersteuning bieden, zeker na de vreselijke gebeurtenissen die de zoon heeft moeten doorstaan. Dit leidt nog niet (op voorhand) tot de conclusie dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Verder heeft verweerder in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat er een objectieve belemmering bestaat om het familie- en gezinsleven tussen eiser, zijn partner en hun zoon elders uit te oefenen. Ook is volgens verweerder niet aangetoond dat eiser en zijn zoon het familie- en gezinsleven niet op afstand zouden kunnen uitoefenen, noch dat eiser zijn zoon niet op afstand zou kunnen ondersteunen. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat het familie- en gezinsleven de afgelopen jaren regelmatig op afstand moest worden uitgeoefend, namelijk in de perioden dat óf eiser, óf zijn zoon in detentie zaten. Aangezien dit klaarblijkelijk een aanvullende opmerking is, en geen dragende overweging, komt aan het in beroep gestelde dat eisers zoon [zoon] na zijn ontvoering niet meer gedetineerd heeft gezeten en dat verweerder diens strafblad niet bij de processtukken heeft gevoegd, geen doorslaggevende betekenis toe.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/41c7c2e9c59600cbdde323913da339be2c7eb6beb3901e1a4f4c28bf981b9c88. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 41c7c2e9c59600cbdde323913da339be2c7eb6beb3901e1a4f4c28bf981b9c88, en de alinea staat in dat document op bytes 27485 tot 29850.