Citaat | Rechtbank Den Haag 18 januari 2016

Onder 3.8.1 Rechtbank Den Haag 18 januari 2016

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 18 januari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:629.

Uit de rechtspraak van het EHRM, bijvoorbeeld de arresten van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland, zaak nr. 30696/09, en 15 mei 2012, H.N. tegen Zweden, zaak nr. 30720/09, volgt dat het EHRM niet zelf, los van het door de lidstaat verrichte onderzoek, de door de vreemdeling ingediende asielaanvraag onderzoekt (‘the Court does not itself examine the actual asylum applications’). Voorts geldt dat ten aanzien van de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gesteld asielrelaas, uit de rechtspraak van het EHRM is af te leiden dat ook het EHRM niet voorbij gaat aan de door de nationale autoriteiten verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling. Zoals volgt uit de arresten van 9 maart 2010 (R.C. tegen Zweden, zaak nr. 41827/07) en 28 juni 2012 (A.A. en anderen tegen Zweden, zaak nr. 14499/09) heeft het EHRM als algemene regel geformuleerd dat deze nationale autoriteiten het beste in staat zijn om de geloofwaardigheid van een relaas te beoordelen (‘It accepts that, as a general principle, the national authorities are best placed to assess not just the facts but, more particularly, the credibility of witnesses, since it is they who have had an opportunity to see, hear and assess the demeanour of the individual concerned.’).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eca0f62214bd06421bce64b442b278e7cadcdd9106f6aaed89972e866f2adcdc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eca0f62214bd06421bce64b442b278e7cadcdd9106f6aaed89972e866f2adcdc, en de alinea staat in dat document op bytes 28831 tot 30162.