Citaat | Rechtbank Den Haag 27 januari 2016

Onder 2.14. Rechtbank Den Haag 27 januari 2016

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 27 januari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:702.

Op 11 maart 2015 heeft deze rechtbank vonnissen gewezen in de zaken van vrouwen die stelden weduwe te zijn van tijdens standrechtelijke executies in 1946-1949 gedode mannen. Een daarvan (ECLI:NL:RBDHA:2015:2441) betrof een weduwe van een op 19 februari 1949 in Peniwen op Oost-Java geëxecuteerde man. Het andere vonnis (ECLI:NL:RBDHA:2015:2442) had betrekking op standrechtelijke executies die in 1946 en 1947 hadden plaatsgehad in Zuid-Sulawesi. Daarin waren vorderingen aan de orde van gestelde weduwen en kinderen van daarbij omgekomen mannen. In deze zaken is het beroep van de Staat op verjaring in strijd met de goede trouw bevonden en geoordeeld dat de Staat jegens weduwen en kinderen van mannen die destijds in standrechtelijke executies zijn gedood door Nederlandse militairen op grond van artikel 1407 BW (oud) aansprakelijk is. Deze weduwen en kinderen kunnen op grond van deze bepaling geen aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. Zij kunnen op grond van artikel 1407 BW (oud) wel aanspraak maken op vergoeding van materiele schade. Het gaat om de schade die zij lijden als gevolg van het verlies van levensonderhoud dat zij ontvingen en mogelijk zouden hebben ontvangen van een geëxecuteerde man door wiens arbeid zij werden onderhouden en mogelijk nog zouden worden onderhouden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d83abb47e9115bc6f209edb8b7e4297eecd31b6bd19cf41653fb2d5b453a1f87. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d83abb47e9115bc6f209edb8b7e4297eecd31b6bd19cf41653fb2d5b453a1f87, en de alinea staat in dat document op bytes 16216 tot 17540.