Citaat | Rechtbank Den Haag 27 juli 2016

Onder 4.7. Rechtbank Den Haag 27 juli 2016

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 27 juli 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:8635.

Het betoog van eiseressen dat hun vorderingen pas opvorderbaar zijn geworden in de zin van de Verjaringswet toen zij in contact kwamen met de in 2007 opgerichte Stichting KUKB die bereid was hun belangen in deze te behartigen, faalt. Beslissend voor de vraag of sprake is van een opvorderbare schuld in de zin van Verjaringswet is slechts het tijdstip waarop de bevoegdheid om onmiddellijk de naleving van de verbintenis te eisen is ontstaan. Zie onder meer de door de Staat aangehaalde voorbeelden van vaste rechtspraak waarin dit is bevestigd: HR 4 maart 1966, NJ 1966, 215, HR 24 mei 1991, NJ 1992, 246, HR 11 september 1992, NJ 1992, 746 en HR 15 oktober 1999, NJ 2000, 138.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5e6429f31f98f1ecdb7409dad1d215e03bd747739ec4a41b989330cedb8b9df5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5e6429f31f98f1ecdb7409dad1d215e03bd747739ec4a41b989330cedb8b9df5, en de alinea staat in dat document op bytes 29776 tot 30468.