Citaat | Rechtbank Den Haag 27 juli 2016
Onder 4.8. Rechtbank Den Haag 27 juli 2016
Een alinea uit Rechtbank Den Haag 27 juli 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:8635.
Bij vorderingen als de onderhavige tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad valt het moment waarop de vordering opvorderbaar wordt samen met het moment waarop de vordering is ontstaan. Voor dit ontstaansmoment is vereist dat de schade op dat moment is geleden (HR 24 mei 1991, NJ 1992, 246). Niet vereist is dat de schuldeiser op dat moment ook reeds bekend is met het bestaan van de verbintenis. De vorderingen van eiseressen zijn ontstaan direct na de executies in 1946-1947. Toen zijn ook hun vorderingen opvorderbaar geworden in de zin van de Verjaringswet. Dat betekent dat de toepasselijke verjaringstermijn van vijf jaar uit de Verjaringswet is aangevangen op 31 december 1946 respectievelijk 31 december 1947.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5e6429f31f98f1ecdb7409dad1d215e03bd747739ec4a41b989330cedb8b9df5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5e6429f31f98f1ecdb7409dad1d215e03bd747739ec4a41b989330cedb8b9df5, en de alinea staat in dat document op bytes 30548 tot 31287.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5e6429f31f98f1ecdb7409dad1d215e03bd747739ec4a41b989330cedb8b9df5 | shasum -a 256