Citaat | Rechtbank Den Haag 18 oktober 2017

Onder 5.25 Rechtbank Den Haag 18 oktober 2017

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 18 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:11809.

Daar komt bij dat de gestelde schending van Unierecht – anders dan in de door eisers aangehaalde arresten – niet direct de materiële toepassing van het Unierecht betreft. Immers, over het (Unierechtelijke) criterium waaraan moet worden getoetst zijn partijen het eens. Tussen partijen staat niet ter discussie dat artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn, zoals uitgelegd in de Europese rechtspraak, een individuele beoordeling vereist. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de wijze waarop feitelijk onderzoek wordt verricht met het oog op de toepassing van dit criterium. Een deel van het verwijt betreft bovendien de feitelijke uitvoering daarvan van het beleid door de IND: [eiser sub 1] cs stellen dat het leveren van tegenbewijs weliswaar op zichzelf mogelijk is, maar de facto onmogelijk is omdat de IND alle bewijs als ongeloofwaardig ter zijde schuift.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e8b6decc85a6bfbc7cf547df6fead54def4af602004bd2538cb06cbcfb614842. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e8b6decc85a6bfbc7cf547df6fead54def4af602004bd2538cb06cbcfb614842, en de alinea staat in dat document op bytes 65438 tot 66407.