Citaat | Rechtbank Den Haag 18 oktober 2017

Onder 3.9. Rechtbank Den Haag 18 oktober 2017

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 18 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:11809.

“Wat betreft de toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag in het Nederlandse vreemdelingenbeleid (...) wordt vooropgesteld dat in alle zaken waarin dit artikel is tegengeworpen, steeds individueel is getoetst. De Staatssecretaris moet aantonen – maar niet “bewijzen” in de zin van de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf – “ernstige redenen” te hebben om te veronderstellen dat de betrokkene onder de criteria van artikel 1F Vluchtelingenverdrag valt. Indien een vreemdeling weet heeft gehad van de betreffende gedraging/de betreffende gedragingen (‘knowing participation’) én hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’) kan artikel 1F Vluchtelingenverdrag worden tegengeworpen. Beargumenteerd wordt dat ‘knowing and personal participation’ onder bepaalde omstandigheden ten aanzien van bepaalde categorieën vreemdelingen kan worden aangenomen op basis van algemene informatie over personen die op een bepaalde positie werkzaam waren bij een specifieke organisatie – mede vanwege de structuur en de doelstellingen van die organisatie. Daarmee wordt het individuele karakter van de beoordeling niet losgelaten, maar is sprake van een prima facie omgekeerde verdeling van de last feiten aan te tonen.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e8b6decc85a6bfbc7cf547df6fead54def4af602004bd2538cb06cbcfb614842. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e8b6decc85a6bfbc7cf547df6fead54def4af602004bd2538cb06cbcfb614842, en de alinea staat in dat document op bytes 30714 tot 32068.