Citaat | Rechtbank Den Haag 23 november 2017
Alinea 39 Rechtbank Den Haag 23 november 2017
Een alinea uit Rechtbank Den Haag 23 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:14060.
Wel kan het onderhavige onderscheid worden getoetst aan de discriminatieverboden die zijn opgenomen in artikel 14 EVRM en artikel 16 IBPR. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen dan deze rechtbank eerder heeft gedaan in de uitspraak van 7 juli 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4069, welke uitspraak is bevestigd door Hof Den Haag: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX5770). Vooropgesteld moet worden dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2). In zijn arrest van 9 november 2001 (ECLI:NL:HR:2001:BI7844) heeft de Hoge Raad eerder geoordeeld dat voor het onderscheid dat wordt gemaakt door aan personen die niet in de gemeente hun hoofdverblijf hebben, zowel een aanslag in de onroerendezaakbelastingen wegens het gebruik van een in de gemeente gelegen onroerende zaak als een aanslag in de woonforensenbelasting op te leggen, terwijl gebruikers van onroerende zaken die in de gemeente hun hoofdverblijf hebben, geen aanslag in de woonforensenbelasting ontvangen, een rechtvaardiging is gelegen in de omstandigheid dat de bijdrage die een gemeente op grond van de Financiële verhoudingswet ontvangt uit het gemeentefonds, mede afhankelijk is van het aantal inwoners van die gemeente en woonforensen daarbij niet tot de inwoners worden gerekend. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan niet worden gezegd dat het oordeel van de wetgever dat een verschillende behandeling van inwoners van een gemeente enerzijds en woonforensen anderzijds gerechtvaardigd is, van redelijke grond ontbloot is. Derhalve dient dit oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd. Eisers stelling dat de hiervoor genoemde rechtvaardiging nog maar ten dele opgaat, brengt de rechtbank, gelet op de onderbouwde weerspreking van die stelling door verweerder, niet tot een ander oordeel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3fb0fda819469120f3424042ccd4185f7a950302a1732f9060b894758afb3053. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3fb0fda819469120f3424042ccd4185f7a950302a1732f9060b894758afb3053, en de alinea staat in dat document op bytes 13894 tot 16291.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3fb0fda819469120f3424042ccd4185f7a950302a1732f9060b894758afb3053 | shasum -a 256