Citaat | Rechtbank Den Haag 31 januari 2018

Onder 2.22. Rechtbank Den Haag 31 januari 2018

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 31 januari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:813.

De weduwen en kinderen vermelden bij hun aanbod getuigen te horen regelmatig dat zij dit aanbod doen voor zover bij de rechtbank – kennelijk gezien het overgelegde aanvullend schriftelijk bewijs – nog onduidelijkheid mocht bestaan over een bepaald punt. Het strookt niet met het systeem van bewijslevering en de norm voor beoordeling van het aanbod bewijs te leveren door het horen van de genoemde getuigen, dat de rechtbank – zoals kennelijk beoogd door de weduwen en kinderen – stap voor stap het bewijs beoordeelt en aan de hand van het reeds geleverde bewijs beziet of zij ter opheldering van feiten getuigen wenst te horen. De rechtbank dient het door de weduwen en kinderen gedane aanbod om getuigenbewijs te leveren te beoordelen aan de hand van de hiervoor omschreven norm van artikel 166 Rv. Het is vervolgens aan hen om deze getuigen al dan niet daadwerkelijk te laten horen. Indien en voor zover de rechtbank het aanbod van eisers om bewijs te leveren door het horen van getuigen honoreert, dienen zij dus ervoor te zorgen dat de getuigen worden opgeroepen tegen de door de rechtbank genoemde data teneinde te worden gehoord. De rechtbank houdt het er daarom voor dat daar waar de weduwen en kinderen spreken over de door de rechtbank op te roepen getuigen, dit op een vergissing berust.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6429aebc5cd4cb5a872ec5cf1b74e1d95ee739599846bbf86326112ac1ac37ed. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6429aebc5cd4cb5a872ec5cf1b74e1d95ee739599846bbf86326112ac1ac37ed, en de alinea staat in dat document op bytes 39607 tot 40926.