Citaat | Rechtbank Den Haag 31 januari 2018

Onder 2.36. Rechtbank Den Haag 31 januari 2018

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 31 januari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:813.

Het bewijsaanbod van de weduwen en kinderen betreft stellingen waarvoor zij de bewijslast dragen. Hun aanbod zelf te worden gehoord als getuige, betekent dus dat zij als partijgetuige een verklaring zullen afleggen. De rechtbank volgt de Staat niet in zijn betoog dat het aanbod om partijgetuigen te horen dient te worden gepasseerd omdat deze geen steun vinden in objectief en verifieerbaar bewijs. Het is onmiskenbaar weinig efficiënt om partijgetuigen te horen indien op voorhand duidelijk is dat er geen aanvullend bewijs is in de zin van artikel 164, lid 2, Rv. Of dat hier aan de orde is, kan onbesproken blijven. Ook als aanvullend bewijs ontbreekt, kan immers een aanbod om een partijgetuige te doen horen niet op die grond worden gepasseerd. Evenals ten aanzien van verklaringen van andere getuigen het geval is, dient ook ten aanzien van de verklaringen van een partijgetuige de vraag welke betekenis aan deze verklaring toekomt, pas aan de orde te komen na het getuigenverhoor (verg. HR 1 november 1991, ECLI:NL:HR:1991: ZC0395 en HR 1 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:AB7803).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6429aebc5cd4cb5a872ec5cf1b74e1d95ee739599846bbf86326112ac1ac37ed. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6429aebc5cd4cb5a872ec5cf1b74e1d95ee739599846bbf86326112ac1ac37ed, en de alinea staat in dat document op bytes 53992 tot 55092.