Citaat | Rechtbank Den Haag 14 juni 2018

Alinea 39 Rechtbank Den Haag 14 juni 2018

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 14 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9039.

15. Op verweerder rust ondanks de omkering van de bewijslast de verplichting om een redelijke schatting te maken van de verzwegen winst uit onderneming. Verweerder heeft zich in zijn pleitnota primair nader op het standpunt gesteld dat de winst uit onderneming voor 2012 € 874.357 en voor 2013 € 764.607 bedraagt. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op de van de Belastingdienst en van de vraagouders op de bankrekening van het gastouderbureau ontvangen KOT (2012: € 1.252.983; 2013: € 1.088.196), waarbij hij tevens rekening heeft gehouden met de via de bank aan de gastouders doorgestorte - niet door eiser bestreden - bedragen van respectievelijk € 271.732 (2012) en € 216.695 (2013). Voorts heeft verweerder rekening gehouden met de over de periode 20 januari 2011 tot en met 20 januari 2014 op de bankrekening van [onderneming zoon & dochter] ontvangen KOT (€ 223.351) en de via die rekening aan de vraagouders teruggestorte KOT (€ 544.033). Deze berekening acht de rechtbank redelijk, nu dit is gebaseerd op concrete herleidbare bankgegevens. Aan hetgeen eiser op dit punt naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank voorbij. De stelling van eiser dat bij de fictieve opvang 70% van de uitbetaalde KOT aan de vraagouders werd doorbetaald en dat 30% van € 2.557.384, zijnde het bewezen verklaarde bedrag dat uit misdrijf is verkregen , ten gunste van het gastouderbureau was gekomen, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd, nu uit het door eiser ingebrachte rapport inzake berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van 23 mei 2017 valt op te maken dat de door eiser bijgehouden betaallijsten niet volledig waren en dat blijkens de bankgegevens tussen de 50% en 76% aan de vraagouders was terugbetaald. Ook de omstandigheid dat in voormeld rapport het gezamenlijke wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend op een bedrag van € 767.215, brengt nog niet mee dat eiser daarmee heeft doen blijken dat verweerder in zijn berekening van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. Verweerder is immers niet verplicht zich bij het opleggen van een aanslag aan te sluiten bij de standpunten of oordelen betreffende een strafrechtelijke procedure (vgl. Hoge Raad 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4122).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/09299791b5d97b2d899a25651d5913e94a26b358509ef84f2e4eb66d5b4c5fe4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 09299791b5d97b2d899a25651d5913e94a26b358509ef84f2e4eb66d5b4c5fe4, en de alinea staat in dat document op bytes 17833 tot 20087.