Citaat | Rechtbank Den Haag 4 november 2019

Onder 2.12. Rechtbank Den Haag 4 november 2019

Een alinea uit Rechtbank Den Haag 4 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:11665.

Op 28 juli 2017 heeft [eiser] de Staat in een bodemprocedure gedagvaard om te verschijnen ter zitting van deze rechtbank. Daarbij vorderde [eiser] subsidiair te verklaren voor recht dat de erkenning door de Staat van het Belgische arrest met een VI-datum na twee derde zonder omzetting van de detentiestraf naar acht jaar onrechtmatig is en te bevelen dat de Staat hem op de dag dat hij twee derde van zijn omgezette detentiestraf van acht jaar heeft ondergaan voorwaardelijk in vrijheid stelt, alsmede veroordeling van de Staat tot schadevergoeding, op te maken bij staat, voor de dagen dat [eiser] langer dan een derde van zijn naar acht jaar omgezette detentiestraf gedetineerd blijft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf die datum tot aan de dag van zijn invrijheidstelling. Daartoe voerde [eiser] aan dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de straf niet op grond van artikel 2:11 lid 5 jo. lid 7 WETS aan te passen naar een volgens Nederlandse maatstaven passende gevangenisstraf van acht jaar.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4ecee6466d00f0db718eeb3a62d493c4f5dbd905594d8e399b8196d6ade2418a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4ecee6466d00f0db718eeb3a62d493c4f5dbd905594d8e399b8196d6ade2418a, en de alinea staat in dat document op bytes 14076 tot 15106.