Citaat | Rechtbank Den Haag 4 november 2019
Onder 4.1. Rechtbank Den Haag 4 november 2019
Een alinea uit Rechtbank Den Haag 4 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:11665.
Vooropgesteld wordt dat indien in een kort geding moet worden beslist op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, de voorzieningenrechter in beginsel zijn beslissing op dat oordeel van de bodemrechter dient af te stemmen, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Slechts onder omstandigheden kan plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel, bijvoorbeeld indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter, ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen (HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4ecee6466d00f0db718eeb3a62d493c4f5dbd905594d8e399b8196d6ade2418a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4ecee6466d00f0db718eeb3a62d493c4f5dbd905594d8e399b8196d6ade2418a, en de alinea staat in dat document op bytes 20270 tot 21353.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4ecee6466d00f0db718eeb3a62d493c4f5dbd905594d8e399b8196d6ade2418a | shasum -a 256