Citaat | Rechtbank Den Haag 26 augustus 2020
Alinea 41 Rechtbank Den Haag 26 augustus 2020
Een alinea uit Rechtbank Den Haag 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:9955.
21. Op zichzelf mag verweerder gebruik maken van bewijsvermoedens, maar die vermoedens moeten wel redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (ECLI:NL:HR:2011:BN6350). Daarvan is geen sprake omdat het bewijsvermoeden slechts is gebaseerd op verklaringen van derden over wat kennelijk een gebruikelijke werkwijze was binnen de IUE. Uit de diverse verklaringen kan echter niet worden geconcludeerd dat in alle gevallen en dus ook in het geval van eiser sprake is van het opzettelijk dan wel grofschuldig te weinig betalen van belasting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ook de kasadministratie kennelijk is opgesteld door de frauderende penningmeester van de IUE zodat daaraan niet zonder meer bewijskracht kan worden toegekend en dat niet kan worden uitgesloten dat de frauduleuze handelingen van de penningmeester verder strekten dan waarover hij heeft verklaard. Uit die verklaringen kan weliswaar worden geconcludeerd dat in veel gevallen sprake was van kwitanties die niet in overeenstemming zijn met de bedragen die daadwerkelijk aan de IUE zijn geschonken, maar dat betekent niet dat reeds daarom in alle gevallen en dus ook in het geval van eiser sprake is van onjuiste kwitanties en daarmee van het opzettelijk dan wel grofschuldig te weinig betalen van belasting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet kan worden uitgesloten dat de frauduleuze handelingen van de penningmeester verder strekten dan waarover hij heeft verklaard. Niet uitgesloten kan worden dat de penningmeester een deel van de bedragen die door donateurs werden geschonken en waarvoor kwitanties zijn uitgereikt, in eigen zak heeft gestoken. Onder die omstandigheden zou het accepteren van de bewijsvermoedens betekenen dat de bewijslast feitelijk ook voor de boeteoplegging op eiser komt te rusten. Verweerder is dan ook niet geslaagd in het bewijs dat het aan opzet of grove schuld van eiser is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Hetgeen verweerder met betrekking tot de vermelding van eisers naam in het Excelbestand en de handgeschreven kasadministratie heeft aangevoerd brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daartoe overweegt zij dat de vermelding van eisers naam in het Excelbestand betrekking heeft op het jaar 2013 terwijl de vergrijpboete voor het jaar 2012 is opgelegd. De vermelding van eisers naam in de handgeschreven kasadministratie betreft een betaling op 2 april 2014. Deze betaling heeft mogelijk betrekking op het verkrijgen van een kwitantie voor het jaar 2013, maar voor dat jaar is geen vergrijpboete opgelegd. Gelet op het feit dat de boetebeschikking zal worden vernietigd, behoeft hetgeen eiser met betrekking tot de schending van de cautieplicht heeft aangevoerd geen bespreking meer.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eb11d9bdd6fdd57fec58c1b5e5c907a66d5584cb22ba23e9150dbe4ef7c33a6d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eb11d9bdd6fdd57fec58c1b5e5c907a66d5584cb22ba23e9150dbe4ef7c33a6d, en de alinea staat in dat document op bytes 18589 tot 21348.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eb11d9bdd6fdd57fec58c1b5e5c907a66d5584cb22ba23e9150dbe4ef7c33a6d | shasum -a 256