Citaat | Rechtbank Den Haag 1 juni 2022
Onder 4.42. Rechtbank Den Haag 1 juni 2022
Een alinea uit Rechtbank Den Haag 1 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5165.
Op grond van hetgeen naar voren is gebracht kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat op 1 juni 1956 op grond van een solide wettelijke of jurisprudentiële basis een legitieme verwachting bestond dat Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetter individuele vorderingsrechten hadden op Japan. Destijds blijkt de dominante opvatting over artikel 3 Landoorlogsverdrag te zijn dat dit geen individuele vorderingsrechten verschaft, met name ingegeven door de ongewijzigde statenpraktijk vanaf het eind van de 18e eeuw dat oorlogsschade wordt vergoed door betaling van een lumpsum van de ene aan de andere staat in het kader van een vredesverdrag of het instellen van een claimcommissie, zoals de CAVV in haar advies heeft geconcludeerd. Dat deze statenpraktijk wel vast staat, blijkt wel uit de omstandigheid dat ook eerdergenoemde professor Kalshoven deze onderkent (“ State practice has proved disappointing […] Article 3 of the Convention has in important respects remained “law of the books”) . In het eerder genoemde standaardwerk over het Internationaal Humanitair recht van destijds was opgenomen dat een dergelijk vorderingsrecht “ inconceivable ” was. Eisers hebben geen bronnen naar voren gebracht uit die tijd die bedoelde gerechtvaardigde verwachting ondersteunen; hun bronnen dateren uit de periode vanaf begin jaren negentig. Ook blijkt uit de stellingen van eisers niet van een medio 1956 reeds gevormde, solide jurisprudentiële basis waaruit volgt dat individuele burgers (met succes) vreemde staten hadden aangesproken voor hun oorlogsschade. De rechtbank is overigens ook ambtshalve niet bekend met een dergelijke basis. Dat een aantal decennia later de opvatting terrein wint dat de opstellers van artikel 3 Landoorlogsverdrag wel het toekennen van individuele vorderingsrechten voor ogen stond en dat de Statenpraktijk daarop aangepast dient te worden, kon uiteraard niet bijdragen aan een legitieme verwachting in juni 1956. Benadrukt wordt dat in dit verband niet doorslaggevend is wat op dit moment de juiste interpretatie van artikel 3 Landoorlogsverdrag op dit punt volgens deze rechtbank is, maar welke interpretatie de (Japanse) rechter daaraan, naar destijds kon worden voorzien, zou geven.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e8a8cfaf37c7b8ac82d218f053586fedf6656b7fcf8645a4386f95e2f12c7a00. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e8a8cfaf37c7b8ac82d218f053586fedf6656b7fcf8645a4386f95e2f12c7a00, en de alinea staat in dat document op bytes 116362 tot 118813.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e8a8cfaf37c7b8ac82d218f053586fedf6656b7fcf8645a4386f95e2f12c7a00 | shasum -a 256