Citaat | Rechtbank Gelderland 15 maart 2016
Alinea 76 Rechtbank Gelderland 15 maart 2016
Een alinea uit Rechtbank Gelderland 15 maart 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:1471.
17. De rechtbank is evenwel van oordeel dat sprake is van omstandigheden die aanleiding geven om de redelijke termijn voor de onderhavige procedures op een langere termijn dan twee jaren te stellen. De gemachtigde van eiser heeft vanaf mei 2010 een zeer groot aantal gelijksoortige bezwaarschriften tegen de heffing van BPM bij verweerder ingediend. Vanaf medio 2011 hebben verweerder en de gemachtigde besprekingen gevoerd teneinde tot een oplossing te komen voor deze geschillen. Het is aannemelijk dat door middel van overleg sneller beslist zou kunnen worden op de zeer grote aantallen bezwaarschriften dan wanneer in elke individuele zaak op het bezwaar beslist zou moeten worden. De besprekingen hebben geleid tot een op 17 februari 2012 gesloten vaststellingsovereenkomst, waarna de gemachtigde van eiser het merendeel van de door hem ingediende bezwaarschriften (60%) heeft ingetrokken. Nadat de gemachtigde had aangegeven welke bezwaren niet werden ingetrokken, heeft verweerder alsnog binnen een tijdsbestek van enkele maanden op die bezwaren uitspraak gedaan. Nu niet is gebleken dat de gemachtigde voorafgaand aan de besprekingen een deel van de bezwaarschriften heeft uitgezonderd van de besprekingen, gaat de rechtbank ervan uit dat ook namens eiser is ingestemd met een verlenging van de termijn als gevolg van het overleg. Voor zover dat al niet het geval zou zijn, is het naar het oordeel van de rechtbank bovendien te billijken dat verweerder eerst heeft getracht een overeenkomst over het grootste deel van de lopende zaken te sluiten alvorens op de overige, inhoudelijk vergelijkbare zaken te beslissen. Het ligt immers voor de hand dat verweerder de onderhandelingen niet wenste te doorkruisen. Dit betekent dat voor de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn de periode van 5 augustus 2011 tot 17 februari 2012 niet wordt meegerekend. Voor de beslistermijn in de beroepsfase is van belang dat het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij tussenuitspraak van 27 september 2012 de prejudiciële vragen aan het HvJ had gesteld, waarover hiervoor is overwogen en waarvan de beantwoording relevant was voor de onderhavige zaken. Het HvJ heeft op 19 december 2013 uitspraak gedaan. In de tussenliggende periode heeft de procedure in deze zaken en in andere zaken waarin gronden ten aanzien van de CO2-heffing een rol zouden kunnen spelen bij de rechtbank stilgelegen. Eiser heeft betwist dat er voor auto’s 2 en 4 aanleiding is voor verlenging van de redelijke termijn in de beroepsfase. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de prejudiciële vragen alleen betrekking hadden op auto’s van voor 1 februari 2008, terwijl auto’s 2 en 4 van daarna dateren. Naar het oordeel van de rechtbank had in elk geval vraag II een verdergaande strekking, nu deze vraag de gehele CO2-heffing en de mogelijkheid van een tussentijds tarief bestrijkt. Gelet hierop was er wel degelijk aanleiding voor aanhouding van de zaak en is er aanleiding voor verlenging van de redelijke termijn in de beroepsfase.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/475b097f48e282a18066705a30e602938fcc4ed60690f07b677b185855a2b15f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 475b097f48e282a18066705a30e602938fcc4ed60690f07b677b185855a2b15f, en de alinea staat in dat document op bytes 21882 tot 24909.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/475b097f48e282a18066705a30e602938fcc4ed60690f07b677b185855a2b15f | shasum -a 256