Citaat | Rechtbank Gelderland 21 april 2016
Alinea 32 Rechtbank Gelderland 21 april 2016
Een alinea uit Rechtbank Gelderland 21 april 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:2184.
7. De rechtbank is van oordeel dat de mogelijkheid tot naheffing van BPM niet met zich brengt dat in strijd met artikel 110 VWEU ter zake van auto’s uit andere lidstaten een hogere belasting wordt geheven dan ter zake van gelijksoortige binnenlandse auto’s. De rechtbank overweegt in dit kader dat op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) het Nederland is toegestaan om een in een andere lidstaat geregistreerde personenauto aan een eenmalige registratiebelasting te onderwerpen in gevallen waarin de auto hoofdzakelijk bestemd is voor duurzaam gebruik in Nederland of daar aldus feitelijk duurzaam wordt gebruikt (vgl. HvJ 21 november 2013, C-302/12, V-N 2013/59.22, punten 24 tot en met 26). Naar het oordeel van de rechtbank volgt de mogelijkheid tot naheffing van BPM direct uit de mogelijkheid tot heffing van BPM en maakt deze daarvan onderdeel uit. Naheffing dient als onderdeel van de uitvoering van de heffing te worden gezien. Naheffing dient immers alleen om te voorkomen dat te weinig BPM wordt geheven en ervoor te zorgen dat de BPM die op de ingevoerde auto drukt in lijn is met de BPM die drukt op een vergelijkbare auto op de binnenlandse markt. Toepassing van de wet leidt niet tot heffing van een hogere belasting dan op gelijksoortige binnenlandse auto’s drukt. Bij registratie van een nieuwe auto in Nederland wordt BPM geheven. Bij verkoop van deze auto in Nederland als gebruikte auto is in de verkoopprijs een evenredig gedeelte van deze BPM verdisconteerd. Bij aankoop van een gebruikte auto in het buitenland dient de waarde in het economische verkeer te worden aangegeven en wordt door middel van de berekende afschrijving een evenredig gedeelte van de BPM geheven. Indien minder BPM op aangifte is voldaan dan op een vergelijkbare auto in Nederland rust, wordt deze BPM nageheven, maar nooit tot een bedrag hoger dan op die vergelijkbare auto rust. Artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen biedt ook geen beoordelingsruimte aan de inspecteur of de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald. Naheffing nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is ook voor het overige niet in strijd met het Unierecht. De wettelijke regeling is - mocht al sprake zijn van een belemmering - gerechtvaardigd en bovendien geschikt om de doelstelling te verwezenlijken en proportioneel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e01308e6ca88bd45158a4f09b82fc265f377d1ddccc397f9d450efc3821af9b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e01308e6ca88bd45158a4f09b82fc265f377d1ddccc397f9d450efc3821af9b8, en de alinea staat in dat document op bytes 11297 tot 13685.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e01308e6ca88bd45158a4f09b82fc265f377d1ddccc397f9d450efc3821af9b8 | shasum -a 256