Citaat | Rechtbank Haarlem 4 mei 2007

Alinea 102 Rechtbank Haarlem 4 mei 2007

Een alinea uit Rechtbank Haarlem 4 mei 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BA6439.

5.5.2.1. Ten aanzien van de waardering van de vordering op de openingsbalans van eiser en ultimo 2002 is het volgende van belang. Vast staat dat F in 2002 geen verhaal bood. Eiser verkeerde op het moment van betaling, naar later bleek ten onrechte, in de veronderstelling dat de regresvordering op F op enigerlei wijze, uit een familiefonds, aan hem zou worden voldaan. Eiser stelt ook eerder kosten te hebben gemaakt, maar nimmer een vergoeding uit voornoemd fonds te hebben ontvangen, dit in tegenstelling tot G, die grote bedragen aan P had betaald. Verweerder betwist dat de regresvordering in december 2002 nog enige waarde had. Onder de gegeven omstandigheden en mede gelet op de betalingen van G, die uitgingen boven de bedragen die eiser had betaald, en de kennelijke noodzaak van de executiemaatregelen tegenover eiser, is niet aannemelijk dat de regresvordering van eiser op F op het moment van de ontvangst van de betaling door T in december 2002 dan wel ultimo 2002 daadwerkelijk enige waarde in het economisch verkeer had. Dientengevolge dient de waarde in het economisch verkeer van deze vordering in december 2002 naar objectieve maatstaven te worden vastgesteld op nihil.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c69c054e44057e6b01fc871fccaa640cbf82e16ad4d95a23381bd256966f9264. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c69c054e44057e6b01fc871fccaa640cbf82e16ad4d95a23381bd256966f9264, en de alinea staat in dat document op bytes 29392 tot 30593.