Citaat | Rechtbank Haarlem 5 juni 2007

Alinea 52 Rechtbank Haarlem 5 juni 2007

Een alinea uit Rechtbank Haarlem 5 juni 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BA6581.

Gelet op de hiervoor weergegeven parlementaire behandeling en in het licht van doel en strekking van het eigenwoningforfait, die ook in de hiervoor weergegeven parlementaire behandeling van de onderhavige aftrekpost naar voren komt, is sprake van gelijke gevallen, te weten eigenwoningbezitters, die geacht worden een forfaitair voordeel te behalen uit dat eigenwoningbezit, en ontstaat door artikel 3.123a Wet IB 2001, een verschil in behandeling tussen eigenwoningbezitters die hun woning nagenoeg geheel hebben gefinancierd met eigen vermogen en eigenwoningbezitters die hun woning voor een groter deel met geleend geld hebben gefinancierd. Zoals de wetgever voor ogen heeft gestaan, zal de onderhavige aftrek toekomen aan belastingplichtigen die geen of een zeer lage hypothecaire schuld en daarbij overeengekomen renteverplichting hebben en niet aan degenen die zo’n meer omvangrijke schuld en renteverplichting wel hebben. Voor de bepaling van het voordeel uit de eigen woning, het eigenwoningforfait, is de wijze van financieren irrelevant, zo volgt ook uit de weergegeven parlementaire beschouwingen (hiervoor aangehaald onder 4.5). Hoewel geen direct onderscheid meer wordt gemaakt omdat de regeling is vormgegeven als een aftrekpost en niet rechtstreeks in mindering komt op het eigen woningforfait, waardoor het voordeel uit de eigen woning als bron in principe onaangetast blijft, is het effect van de regeling dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Immers, de introductie als aftrekpost komt materieel op hetzelfde neer als in het oorspronkelijke initiatiefvoorstel Hillen werd beoogd, namelijk dat per saldo geen sprake is van een voordeel uit eigen woning als de woning geheel of nagenoeg geheel met eigen middelen is gefinancierd. Dat de regeling is vormgegeven als een aftrekpost, waarbij de wijze van financieren van belang is, en dat de aftrekpost in een aparte daartoe in het leven geroepen afdeling van hoofdstuk 3 van de Wet IB 2001 is opgenomen, acht de rechtbank voor de beoordeling van de vraag of sprake is van gelijke gevallen niet relevant. De aftrekpost heeft geen betrekking op kosten of uitgaven die verband houden met de eigen woning en heeft als zodanig een fictief karakter. Nu op basis hiervan genoemd onderscheid wordt gemaakt en dit onderscheid materieel bezien en qua resultaat op hetzelfde neerkomt als het directe onderscheid dat is gemaakt in het initiatiefvoorstel Hillen, is sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/53a42a4dc21af5ef60245e79b2e3b454bf56586190e8e56f7fd8b07106ba5a6c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 53a42a4dc21af5ef60245e79b2e3b454bf56586190e8e56f7fd8b07106ba5a6c, en de alinea staat in dat document op bytes 20917 tot 23413.