Citaat | Rechtbank Haarlem 3 februari 2009

Alinea 41 Rechtbank Haarlem 3 februari 2009

Een alinea uit Rechtbank Haarlem 3 februari 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BH1908.

2.6 De rechtbank heeft kennisgenomen van het dossier, de conceptnotitie en de definitieve versie van de notitie en heeft deze met elkaar vergeleken en is daarbij tot de slotsom gekomen dat het belang van eiser bij overlegging ervan voor het onderbouwen van zijn beroep onvoldoende opweegt tegen het door verweerder aangevoerde belang om zijn procespositie binnen de organisatie van de Belastingdienst vrijelijk te kunnen bepalen. Het gaat hier om een conceptnotitie met daarin opgenomen persoonlijke (beleids)opvattingen van de heer Q die naar het oordeel van de rechtbank slechts voor interne doeleinden is bestemd en deel uitmaakt van een meningvormend proces binnen de Belastingdienst, zodat deze niet als definitief kan worden beschouwd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in het begeleidende e-mailbericht van 19 april 2006 waarbij de conceptnotitie door Q wordt aangeboden aan enkele medewerkers van de Belastingdienst, leden van de projectgroep en een medewerker van het Ministerie van Financiën, deze personen uitdrukkelijk worden gevraagd om hun advies dienaangaande en dat daarbij voorts wordt opgemerkt dat wordt uitgezien naar hun reacties in dezen. Het – door verweerder weersproken - betoog van eiser dat in een andere (thans niet voorliggende) zaak besluiten mede op basis van deze conceptnotitie zijn genomen, acht de rechtbank onvoldoende om tot een andere belangenafweging te komen. Gelet op de inhoud van de conceptnotitie en de definitieve notitie, de verschillen daartussen, de overige gedingstukken en hetgeen partijen dienaangaande ter zitting over en weer naar voren hebben gebracht is niet aannemelijk geworden dat de aanslag of de uitspraak op bezwaar in de onderhavige zaak of in een van de andere – ter zitting behandelde en hierboven genoemde - zaken, op deze conceptnotitie zijn of hadden moeten worden gebaseerd. Gelet op het een en ander zijn er gewichtige redenen om de notitie Q niet aan eiser te overleggen en is beperking van de kennisneming van dat stuk gerechtvaardigd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het beroep van verweerder op artikel 8:29 Awb slaagt. De stelling van verweerder dat het verzoek om overlegging van de notitie Q niet behoeft te worden ingewilligd wegens misbruik van procesrecht, behoeft – wat er zij van deze stelling – gelet op het voorgaande geen bespreking.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e8f58f0f7c5e091fbb092258cf1d3bed23a0fa8c09652070c5a7fced4b931efe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e8f58f0f7c5e091fbb092258cf1d3bed23a0fa8c09652070c5a7fced4b931efe, en de alinea staat in dat document op bytes 16915 tot 19274.