Citaat | Rechtbank Haarlem 25 september 2012

Alinea 263 Rechtbank Haarlem 25 september 2012

Een alinea uit Rechtbank Haarlem 25 september 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BX9778.

4.4.4. De Richtlijn is uitsluitend gericht tot de lidstaten, zodat belastingplichtigen, zoals eiser, daaraan geen rechten kunnen ontlenen. Voor zover eiser stelt dat de soevereiniteit van Luxemburg is geschonden, en dat de bepalingen van de Richtlijn welke de soevereiniteit van de lidstaten raken, van openbare orde zijn, geldt het volgende. In het midden kan blijven of de bepalingen van de Richtlijn aangaande de soevereiniteit van lidstaten van openbare orde zijn, aangezien – anders dan eiser tot uitgangspunt neemt –, de Richtlijn niet voorschrijft dat Luxemburg in staat moet worden gesteld om toestemming te geven voor de verstrekking door België aan Nederland van de onderhavige bankgegevens. De rechtbank begrijpt dat eiser zich bij zijn betoog dat er een toestemmingsvereiste zou bestaan bij de verstrekking door België aan Nederland van de uiteindelijk uit Luxemburg afkomstige informatie, met name beroepen op artikel 7, vierde lid, en artikel 8, derde lid, van de Richtlijn. Vast staat dat België de aan Nederland op basis van artikel 4 van de Richtlijn verstrekte bankgegevens niet op basis van de Richtlijn van de bevoegde Luxemburgse autoriteiten heeft ontvangen, maar dat die gegevens op andere wijze bij de Belgische autoriteiten zijn terecht gekomen. Artikel 7, vierde lid, van de Richtlijn ziet evenwel op een situatie waarin (toegepast op de onderhavige casus) België inlichtingen op basis van de Richtlijn zou hebben ontvangen van de bevoegde Luxemburgse autoriteiten, in welk geval België de betrokken inlichtingen met toestemming van de bevoegde Luxemburgse autoriteit, zou kunnen doorgeven aan Nederland. Nu zoals gezegd, de bankgegevens niet zijn verstrekt door de bevoegde Luxemburgse autoriteiten, mist deze bepaling toepassing. Voor zover eiser bij zijn betoog verwijst naar artikel 8, derde lid, van de Richtlijn, mist die bepaling eveneens toepassing, aangezien die bepaling slechts ziet op een (hier niet aan de orde zijnde) situatie dat de Nederlandse autoriteiten zouden hebben verzocht om de onderhavige bankgegevens bij de Belgische autoriteiten en overigens ook slechts werking zou hebben in de verhouding België-Nederland. De conclusie is derhalve dat de Richtlijn voor de onderhavige situatie toepassing mist (vgl. Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, LJN BM0137, BNB 2010/322), zodat het betoog van eiser om die reden reeds faalt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen, zoals eiser verzoekt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d28fbb8f9f230ab1ce1bd653efdcecfd788970c7e13b62dd5673f1d89aa73ae7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d28fbb8f9f230ab1ce1bd653efdcecfd788970c7e13b62dd5673f1d89aa73ae7, en de alinea staat in dat document op bytes 67566 tot 70058.