Citaat | Rechtbank Haarlem 4 december 2012

Alinea 39 Rechtbank Haarlem 4 december 2012

Een alinea uit Rechtbank Haarlem 4 december 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY5942.

2.11 Uit de bovengenoemde citaten uit de wetsgeschiedenis blijkt ondubbelzinnig dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om reeds bij het enkele aantreffen van een handelshoeveelheid drugs in een pand, zonder dat er sprake is van enige indicatie dat er in of vanuit het desbetreffende pand drugs verkocht, afgeleverd of verstrekt worden, over te kunnen gaan tot sluiting van de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet maar dat er ook sprake moet zijn van verkoop vanuit het pand zelf. Naar het oordeel van de rechtbank kan het bewaren van een voorraad drugs in de woonwagen met de kennelijke bedoeling deze elders te verhandelen niet op één lijn worden gesteld met de verkoop van drugs vanuit een woning aan de gebruiker. Nu er geen sprake was van een ‘illegaal verkooppunt’, kan de conclusie geen andere zijn dan dat verweerder in het onderhavige geval niet bevoegd was op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet handhavend op te treden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a24c092ab20134adf0d1f4dcb2b089d4de21b2c23c0a025578588407d64a0bff. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a24c092ab20134adf0d1f4dcb2b089d4de21b2c23c0a025578588407d64a0bff, en de alinea staat in dat document op bytes 22174 tot 23176.