Citaat | Rechtbank Leeuwarden 17 februari 2011

Alinea 73 Rechtbank Leeuwarden 17 februari 2011

Een alinea uit Rechtbank Leeuwarden 17 februari 2011, ECLI:NL:RBLEE:2011:BP5325.

€ 14.194,--, heeft betaald (zie de hiervoor onder de punten 1.4 en 1.6). Nu ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de dagtekening van de naheffingsaanslag geldt als dagtekening van de vaststelling van de naheffingsaanslag, kan niet worden gezegd dat eiser ten tijde van het vaststellen van de naheffingsaanslag - volgens verweerders destijds toegedane mening - te weinig BPM heeft betaald. Aldus bestond er op 23 maart 2010 geen aanleiding voor het vaststellen van een naheffingsaanslag, zodat de naheffingsaanslag - naast de door verweerder in zijn uitspraak op bezwaar bevonden reden - ook op deze grond naar het oordeel van de rechtbank geen stand kon houden. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel niet worden gezegd dat dit verweerder ten tijde van het vaststellen van de naheffingsaanslag reeds duidelijk was, nu de juistheid van zijn nieuwe werkwijze, zoals hij deze in het onderhavige geval heeft toegepast, toen nog niet in rechte was beoordeeld. De rechtbank ziet ook overigens geen gronden om een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit aanwezig te achten. Hierbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde toegelicht dat uit doelmatigheidsoverwegingen ervoor is gekozen om (direct na afloop van de controle van de aangifte) één betaalbericht aan eiser te zenden betreffende de totale volgens verweerder verschuldigde BPM teneinde te bewerkstelligen dat zo spoedig mogelijk een "fiscaal akkoord" zou kunnen worden afgegeven aan de RDW. Deze werkwijze strookt naar het oordeel van de rechtbank niet met het wettelijke systeem, waaruit volgt (zie artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet BPM) dat aan de belastingplichtige de mogelijkheid moet worden geboden om gelijktijdig met het doen van aangifte de daarop aangegeven BPM te voldoen. Aan eiser hadden in het onderhavige geval twee betaalberichten moeten worden verzonden: één direct bij het doen van aangifte en één naar aanleiding van het vaststellen van de naheffingsaanslag. De rechtbank ziet niet in dat hierdoor - zoals verweerder heeft gesteld - ten opzichte van de door verweerder toegepaste werkwijze vertraging zou optreden bij het afgeven van een "fiscaal akkoord". Daartegenover valt naar het oordeel van de rechtbank evenmin in te zien dat, indien verweerder in het onderhavige geval overeenkomstig het wettelijke systeem had gehandeld, het afgeven van een "fiscaal akkoord", althans de tenaamstelling van het kenteken, op een eerder moment had plaatsgevonden dan nu het geval is geweest. Hierbij gaat de rechtbank er vanuit dat, gelet op het bepaalde in artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder ten eerste, van de Wet BPM en het bepaalde in artikel 49, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, het kenteken pas op naam wordt gesteld indien de materieel verschuldigde BPM is voldaan. Ofschoon de rechtbank verweerders werkwijze niet in overeenstemming acht met het wettelijke systeem, komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser hierdoor niet is benadeeld. Aldus kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder dermate onzorgvuldig heeft gehandeld dat dit grond oplevert om een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit aanwezig te achten. Voor de rechtbank bestaat dus geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de werkelijke proceskosten die eiser in bezwaar heeft gemaakt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/157ee88adbb1f0a790d64843589b2324e5782dcd78ccf17e51b0b88392afcf46. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 157ee88adbb1f0a790d64843589b2324e5782dcd78ccf17e51b0b88392afcf46, en de alinea staat in dat document op bytes 28618 tot 32145.