Citaat | Rechtbank Limburg 2 april 2014
Alinea 34 Rechtbank Limburg 2 april 2014
Een alinea uit Rechtbank Limburg 2 april 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:3460.
[gedaagde] bestrijdt niet dat een overeenkomst met Essent tot levering van ‘nutsvoorzieningen’ bestaat of bestaan heeft voor het perceel aan zijn huidige woonadres te Maastricht, noch dat hij daarvoor normaliter (althans in het tijdvak in 2012 waarop de dertien ‘facturen’ zien) voorschotbedragen aan Essent verschuldigd was (nog steeds is) en evenmin dat Hoist na cessie die bedragen in plaats van Essent kan innen. In totaal gaat het dan om een door [gedaagde] niet bestreden bedrag van € 1 183,10 aan voorschotten (1 x € 23,10, 4 x € 120,00 en tot slot nog 5 x € 136,00). Dat [gedaagde] echter naast de in de exploottekst in algemene bewoordingen uitgelegde ‘voorschotbedragen’ ook aan Essent ‘kosten contractbreuk’ verschuldigd was, laat staan driemaal (per 14 mei 2012 tweemaal op één dag en bijna een week later, op 20 mei 2012, voor een derde keer), wordt in geen enkele stelling betoogd, laat staan met argumenten en documenten onderbouwd. Omdat Hoist (of haar rechtsvoorgangster Essent) kennelijk ook nagelaten heeft om buiten rechte op een behoorlijke manier betalingsverzuim van de debiteur [gedaagde] te bewerkstelligen - van het intreden van verzuim op een concrete datum op een specifieke grond, door ingebrekestelling of van rechtswege, is immers niets gebleken of gesteld -, valt ook niet in te zien hoe [gedaagde] voor zulke kosten aansprakelijk te stellen is, laat staan drievoudig. Deze constatering / dit oordeel treft ook rechtstreeks de beide nevenvorderingen van Hoist, want van verschuldigdheid van vervallen rente en vergoeding van incassokosten kan geen sprake zijn indien - zoals hier het geval is - pas door dagvaarding verzuim ingetreden is. In het midden kan dan blijven of Hoist met de door haar vermelde ‘veertiendagenbrief’ wel enig effect had kunnen bereiken. Dit niet in het geding gebrachte stuk ‘gedateerd 25-09-2012’ zou aan [gedaagde] ‘verstuurd’ zijn, maar die op zichzelf staande stelling is veel te vaag om daaraan in dit verband betekenis toe te kennen. In het licht van art. 3:37 lid 3 BW is bovendien niet de ‘verzending’, maar de door Hoist zelfs niet gestelde - laat staan bewezen - ‘ontvangst’ van een in zo’n brief neergelegde wilsverklaring bepalend voor de vraag of daaraan het beoogde rechtsgevolg toe te kennen is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fae3d4637fb287285b762621c1717b504bdd4f3882593ce4d9d06ac3ca7887b9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fae3d4637fb287285b762621c1717b504bdd4f3882593ce4d9d06ac3ca7887b9, en de alinea staat in dat document op bytes 11302 tot 13644.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fae3d4637fb287285b762621c1717b504bdd4f3882593ce4d9d06ac3ca7887b9 | shasum -a 256