Citaat | Rechtbank Limburg 7 mei 2014

Alinea 46 Rechtbank Limburg 7 mei 2014

Een alinea uit Rechtbank Limburg 7 mei 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:4746.

[gedaagde] bestrijdt niet dat een overeenkomst met Essent tot levering van ‘nutsvoorzieningen’ bestaan heeft voor het woonperceel aan zijn vroegere adres [adres 2] te [woonplaats] (zelfs al sinds medio 1997), maar wijst er wel nadrukkelijk op dat hij die overeenkomst slechts had willen laten duren tot 16 november 2012 in verband met zijn verhuizing uit die inmiddels als slooppand aangewezen behuizing naar de [adres 1] in [woonplaats], een woning die hij op 15 november 2012 betrokken heeft. Tegen de zin van [gedaagde] heeft Essent de levering van energie aan de woning aan de [adres 2] gecontinueerd voor de periode 16 november 2012 tot of tot en met 6 januari 2013, getuige de gemeten verschillen in meterstanden per 16 november 2012 (die van de opzichter van woningcorporatie Servatius, prod.1 bij antwoord) respectievelijk 6 januari 2013 (de opgave van Essent, prod.2 bij antwoord). Waar Hoist bij exploot uitdrukkelijk zegt de vordering tegen [gedaagde] te baseren op de leveringsrelatie Essent/[gedaagde] voor het perceel [adres 2] te [woonplaats] en daarvoor drie ‘facturaties’ en één voorschot noemt, waarvan er evident één (die van 2 april 2013 ten belope van € 657,68) nu juist niet ziet op deze aansluiting op het energienetwerk, doch op de [adres 1] (prod.5 bij antwoord), kan de vierde post hoe dan ook niet voor toewijzing in aanmerking komen. De andere drie posten ontberen (ook) iedere toelichting en zelfs is er in het licht van hetgeen al over de vierde post geconstateerd is, geen duidelijkheid over de vraag of zij wel (alle) zien op het aansluitadres [adres 2]. De post van € 157,05 waarvan dit in het licht van de door [gedaagde] ingebrachte derde productie wel lijkt vast te staan, komt niet voor toewijzing in aanmerking omdat de omvang van het in rekening gebrachte energieverbruik voor de periode 1 november 2012 tot (en met) 6 januari 2013 gemotiveerd betwist is, net als de periode als zodanig. Het is bovendien vreemd dat voor die periode slechts € 231,00 aan ‘in rekening gebrachte voorschotten’ bij wijze van aftrek in aanmerking genomen is, terwijl het volgens Hoist onbetaald gebleven voorschotbedrag voor december 2012 € 435,02 per maand beliep. Dat er aan ‘voorschotten’ of ‘voorschot’ (voor [adres 2]) € 435,02 onbetaald gelaten is, strookt in het geheel niet met het overzicht van betalingen aan Essent via de Kredietbank Limburg dat als onderdeel van prod.6 door [gedaagde] ingebracht is (een bericht dat al op 16 april 2013 ter kennis van Essent is gekomen). Dat er ergens ook nog een factuur van € 10,38 open zou staan, wordt op geen enkele wijze verklaard, of het moest zijn dat het te maken heeft met een of meer van de posten van steeds € 20,00 aan ‘kosten LBM’ die [naam 2] namens Essent opnam in een ‘overzicht van vorderingen en betalingen’ dat hij op 15 april 2013 aan [naam 1] stuurde (prod.4). Voor toewijzing van een afzonderlijke kostenpost bestaat echter reeds bij afwezigheid van enig daartoe aangevoerd relevant argument (en zonder gesteld of gebleken concreet betalingsverzuim voorafgaand aan dagvaarding) geen grond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b426b72fe3b8bec696655679941072a063b22a809665c53a78dab28bcb2e2e95. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b426b72fe3b8bec696655679941072a063b22a809665c53a78dab28bcb2e2e95, en de alinea staat in dat document op bytes 29954 tot 33100.