Citaat | Rechtbank Limburg 13 juni 2014
Onder 3.3.3 Rechtbank Limburg 13 juni 2014
Een alinea uit Rechtbank Limburg 13 juni 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:5459.
Daarnaar gevraagd heeft [getuige 7], de moeder van verdachte, verklaard dat zij haar zoon elke dag ziet en dat zij op 22 oktober 2013 met [getuige 9] en verdachte bij uitvaartonderneming [naam 2] is geweest, omdat zij een graflampje moest hebben. [getuige 7] wist dat zij op 22 oktober 2013 bij [getuige 8] was geweest, omdat [getuige 8] haar had gebeld dat zij die dag het glas voor het graflampje kon ophalen. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen over de administratie van [getuige 8] en de opgevraagde telefoongegevens blijkt dat dit bezoek niet op 22 maar op 24 oktober 2013 heeft plaats gevonden. Nu [getuige 7] haar stelling dat verdachte die ochtend al vroeg bij haar was nadrukkelijk koppelt aan het bezoek van [getuige 8], acht de rechtbank de verklaring van [getuige 7] dat haar zoon op 22 oktober 2013 bij haar is geweest, dan ook ongeloofwaardig.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eb9ef31301fc3d54ae5a546d73d126218ecf81bafb907ee818b0ce1741558364. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eb9ef31301fc3d54ae5a546d73d126218ecf81bafb907ee818b0ce1741558364, en de alinea staat in dat document op bytes 55825 tot 56702.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eb9ef31301fc3d54ae5a546d73d126218ecf81bafb907ee818b0ce1741558364 | shasum -a 256