Citaat | Rechtbank Limburg 27 november 2015
Onder 4.8. Rechtbank Limburg 27 november 2015
Een alinea uit Rechtbank Limburg 27 november 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:10132.
Op een dergelijke huurovereenkomst zijn in beginsel de huurbeschermingsregels van afdeling 5 van titel 4 van boek 7 BW van toepassing. Dit betekent dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de opzegging van de huurovereenkomst door [eiser] slechts kon geschieden op de bij artikel 7:271 BW voorgeschreven wijze. Zoals [eiser] kennelijk heeft willen stellen kunnen de omstandigheden van het geval echter meebrengen dat het beroep op huurbescherming door de huurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW. Zoals hiervoor is gebleken, was het bij het aangaan van de huurovereenkomst de bedoeling van zowel [eiser] als [onderbewindgestelden] om het gebruik van de woning van korte duur te laten zijn. [onderbewindgestelden] verkeerden ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst in een noodsituatie: zij konden geen woonruimte vinden waarin zij met hun gezin - al dan niet tijdelijk - konden verblijven. Vanwege deze noodsituatie aan de zijde van [onderbewindgestelden] en het door de bij het gezin [onderbewindgestelden] betrokken maatschappelijk werkers gedane verzoek tot het verschaffen van tijdelijke woonruimte, heeft [eiser] een van zijn recreatiewoningen aan [onderbewindgestelden] verhuurd. Dat [eiser] kon weten dat [onderbewindgestelden] binnen een maand geen vervangende woonruimte zouden vinden, maakt niet dat [eiser] erop bedacht diende te zijn dat [onderbewindgestelden] de woning permanent zouden gaan bewonen. Zoals ter mondelinge behandeling is gebleken, is [eiser] immers voorgehouden dat [onderbewindgestelden] een woning zochten ter overbrugging naar permanente woonruimte en dat de nodige inspanningen zouden worden verricht om die te verkrijgen. Dat [onderbewindgestelden] later van gedachten zijn veranderd omdat zij - vanwege hun voorgeschiedenis en financiële situatie - geen vervangende woonruimte konden vinden, maakt de bedoelingen van partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst niet anders. In dit verband is mede van belang dat thans niet in redelijkheid aan [eiser] tegengeworpen kan worden dat hij het gebruik van woning gedurende geruime tijd heeft toegestaan. Vast staat immers dat [eiser] - met het oog op de belangen van [onderbewindgestelden] - in goed overleg tot beëindiging van de huurovereenkomst heeft willen komen, alvorens over te gaan tot dagvaarding. De woning is voorts, zoals [gedaagde] q.q. heeft erkend, ook niet bestemd voor permanente bewoning. Bij het aangaan van de huurovereenkomst mocht dit, mede gelet op de ligging van de woning, bij [onderbewindgestelden] bekend worden verondersteld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fca0119cc14928d943cf4f8a08ee60eea82fb0157a2b07c7a0181edc51ded4b5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fca0119cc14928d943cf4f8a08ee60eea82fb0157a2b07c7a0181edc51ded4b5, en de alinea staat in dat document op bytes 19356 tot 21990.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fca0119cc14928d943cf4f8a08ee60eea82fb0157a2b07c7a0181edc51ded4b5 | shasum -a 256