Citaat | Rechtbank Limburg 29 april 2015
Alinea 38 Rechtbank Limburg 29 april 2015
Een alinea uit Rechtbank Limburg 29 april 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:3418.
Het verweer van [gedaagde] is door de vele uitweidingen die niet de kern van de zaak / het geschil raken, omvangrijk en soms moeilijk te volgen. Bij het civiele geschil betrekt [gedaagde] bovendien aspecten van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aard die volgens hem klaarblijkelijk (ook) aan de orde zijn, doch die toepassing op het onderhavige geschil missen. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij de overeenkomst van ziektekostenverzekering met CZ ‘per 28 december 2013, conform de vereisten op diens website, beëindigd’ heeft en wel ‘vóór het einde van het jaar, per webform’. In de daaropvolgende maanden zegt [gedaagde] de desondanks (waar in zijn visie immers de overeenkomst ‘op wettige wijze ontbonden’ was) van zijn rekening afgeschreven bedragen ‘gecompenseerd’ te hebben. Hij bewerkstelligde die ‘compensatie’ door ‘om de andere maand, de voltallig ingehouden premies (voor 2 volwassenen) te retourneren naar de rekening van welke onrechtmatig werd ingehouden’. Door ‘bij de Belastingdienst’ melding te maken van een betalingsachterstand van [gedaagde] en aanschrijvingen van deurwaarders te laten uitgaan, heeft CZ zich in de visie van [gedaagde] schuldig gemaakt aan ‘onrechtmatige daad / afpersing’ dan wel ‘wederrechtelijke zelfverrijking’ en/of ‘schofterig’ gedrag ten aanzien van ‘minderjarige kinderen van 12 jaar’, onder wie de dochter die volgens hem daardoor dreigde ‘ in jeugd detentie’ te belanden dan wel te worden ‘geëxecuteerd’. Ook [gedaagde], die de vordering van CZ bij antwoord aldus in alle opzichten betwistte, verklaarde voorkeur te geven aan schriftelijke voortzetting van het debat boven een comparitie van partijen. Hij bood aan ‘bewijslast’ (bedoeld was natuurlijk: bewijs) aan te voeren (“Waarvan akte”), maar was wel van oordeel dat de kantonrechter ‘aan de gedaagde (hierna: eiser in reconventie) verstek zal (moeten) verlenen tegen de eiser in eerste aanleg’. Hij voegde hieraan toe de door CZ ‘toegezegde bewijslast’ af te wachten om definitief te kunnen beoordelen of ‘eiser in reconventie werkelijk handelde als consument of als geldschieter voor commerciële uitwinning’ (in welk geval CZ in gebreke zou zijn gebleven ‘om de gedaagde de toekomende deling in de winsten, “ab initio”, inclusief de wettelijk verplicht gestelde rente, te doen toekomen’. [gedaagde] verbond hieraan bij antwoord echter niet een duidelijke tegenvordering, laat staan dat hij daarvoor - al is het maar minimaal - een onderbouwing gaf.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/be24b4f9f2cdad30c123dac8d9ea84d87ff83944cc7f796eacb040c9f0ede901. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt be24b4f9f2cdad30c123dac8d9ea84d87ff83944cc7f796eacb040c9f0ede901, en de alinea staat in dat document op bytes 16215 tot 18784.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/be24b4f9f2cdad30c123dac8d9ea84d87ff83944cc7f796eacb040c9f0ede901 | shasum -a 256