Citaat | Rechtbank Limburg 29 april 2015

Alinea 43 Rechtbank Limburg 29 april 2015

Een alinea uit Rechtbank Limburg 29 april 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:3418.

[gedaagde] lijkt ervan overtuigd te zijn dat hij met gebruikmaking van de website van CZ op 28 december 2013 een CZ bindende opzeggingshandeling verricht heeft. Hij toont dit echter, zoals CZ hem ook buiten rechte een- en andermaal heeft proberen duidelijk te maken, niet aan. De stukken waarop [gedaagde] zich in deze procedure beroept, in het bijzonder de producties 1 en 1b bij antwoord, zijn direct van het beeldscherm van [gedaagde] afkomstige prints, die slechts zichtbaar maken wat [gedaagde] vanachter de eigen computer geproduceerd heeft. Zij tonen niet aan dat die ‘producten’ ook naar CZ als het beoogde doelwit van de boodschap verzonden zijn. De schermafdruk die [gedaagde] van de website CZ Klantenservice maakte met een ingetikt bericht van zijn hand (prod.1), laat volledig in het midden of en hoe de boodschap ook verzonden is. Sterker nog: de print laat drie opties zien (vraag stellen ‘per e-mail’, ‘chat tijdelijk offline’ en vraag stellen per ‘Twitter’), terwijl naast verzenden (dus gebruik van e-mail), ook nog terugkeer naar een voorafgaand scherm en louter printen als opties gegeven waren. Dat [gedaagde] uit al die mogelijkheden op de bewuste dag in december 2013 voor verzenden van een e-mailbericht gekozen heeft, toont hij aldus niet aan. Het is ook om een andere reden zeer onwaarschijnlijk dat het bericht uitgegaan is: hij laat geen bevestiging van verzending aan CZ zien noch legt hij een bericht van ontvangst van de kant van CZ over. Toch behoort het juist tot het wezen van een website die klantenservice beoogt te bieden, dat ieder bericht geregistreerd en beantwoord wordt, anders heeft de dienst geen aanwijsbaar nut. Eenzelfde bezwaar van het ontbreken van elke bewijskracht geldt voor prod.1b, waarmee [gedaagde] slechts aantoont dat hij op de eigen computer op 4 november 2013 een bestand of pdf-document aangemaakt heeft dat hij vervolgens op 28 december 2013 nog een keer gewijzigd heeft en dat de naam ‘opzeggen CZ Klantenservice [gedaagde]’ droeg. Anders dan de twee ‘onzinberichten’ van ‘01 jan 1980’ en ‘1-1-2095’ aan zichzelf die hij bij dupliek als prod.1 en prod.2 inbracht, kan ook van dit bestand niet gezegd worden dat er enig bewijs van verzending is. Laat staan dat [gedaagde] tevens aantoont dat de verzending perfect geslaagd was en dat CZ het ook ontvangen heeft. Ter voorlichting van [gedaagde] wordt hier voor alle duidelijkheid verwezen naar de eis die art. 3:37 lid 3 BW nu eenmaal stelt: dit artikelonderdeel maakt de werking van een wilsuiting van een zender afhankelijk van daadwerkelijke ontvangst door de geadresseerde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/be24b4f9f2cdad30c123dac8d9ea84d87ff83944cc7f796eacb040c9f0ede901. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt be24b4f9f2cdad30c123dac8d9ea84d87ff83944cc7f796eacb040c9f0ede901, en de alinea staat in dat document op bytes 21124 tot 23850.