Citaat | Rechtbank Limburg 29 april 2015

Alinea 45 Rechtbank Limburg 29 april 2015

Een alinea uit Rechtbank Limburg 29 april 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:3418.

CZ zelf echter heeft met een gebrekkige inrichting van het exploot van dagvaarding en van de repliek nagelaten andere onderdelen van haar vordering jegens [gedaagde] van een behoorlijke feitelijke grondslag te voorzien. Het mag dan zo zijn dat [gedaagde] buiten rechte en in rechte zijn verweer concentreerde op de hoofdvordering , dat wil niet zeggen dat daarmee de extra vorderingen zonder meer het lot van deze hoofdvordering volgen en dat de kantonrechter ontslagen zou zijn van de verplichting om (ambtshalve) ook de onderdelen rente en kosten van invordering summier op toewijsbaarheid te toetsen. Op zijn minst moet immers vastgesteld worden of de stellingen van CZ die nevenorderingen in voldoende mate dragen. Waar bij [gedaagde] terecht of ten onrechte de overtuiging bestond - tot het moment van dagvaarding - dat hij in zijn gelijk stond met de opvatting over tussentijdse opzegging, waren eventuele acties tot incasso van de zijde van CZ tamelijk zinledig. Zij had terstond tot invordering in rechte kunnen en misschien wel moeten overgaan, toen het dispuut niet oplosbaar bleek te zijn. Als CZ er niet voor koos te berusten in de weigering van [gedaagde] om alsnog het bedrag van € 331,52 voor de bewuste twee ontbrekende maanden in 2014 te voldoen (een eveneens verschuldigd bedrag van € 100,00 was kennelijk tussentijds al verrekend met een [gedaagde] toekomende vergoeding voor een verstrekking), lag het onverwijld dagvaarden van [gedaagde] in rechte het meest voor de hand. Voor dat laatste was in dit geval niet eens vereist dat [gedaagde] voorafgaand duidelijk in verzuim gesteld werd of dat CZ zou aantonen dat op een eerder moment verzuim langs de weg van art. 6:83 lid 1 aanhef en sub a. BW (door het verstrijken van een fataal te achten betalingstermijn) van rechtswege ingetreden was. Waar in de stellingen van CZ noch van expliciete ingebrekestelling noch van een ondubbelzinnige fatale termijn sprake was, heeft CZ immers het relatieve ‘geluk’ dat verzuim van [gedaagde] voorafgaand aan dagvaarding toch aangenomen mag worden: dat trad namelijk in door diens pertinente weigering de verbintenis op het punt van de onderhavige premieverplichting na te leven, een uitzonderingssituatie zoals die voorzien is in art. 6:83 aanhef en sub c. BW en die ingebrekestelling overbodig maakte.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/be24b4f9f2cdad30c123dac8d9ea84d87ff83944cc7f796eacb040c9f0ede901. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt be24b4f9f2cdad30c123dac8d9ea84d87ff83944cc7f796eacb040c9f0ede901, en de alinea staat in dat document op bytes 25767 tot 28139.