Citaat | Rechtbank Limburg 29 juli 2015

Alinea 33 Rechtbank Limburg 29 juli 2015

Een alinea uit Rechtbank Limburg 29 juli 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:6422.

17. Het nadien verrichte onderzoek over de periode van 12 maart 2013 tot 5 november 2014 acht de rechtbank echter niet draagkrachtig voor de daaraan door verweerder ontleende conclusie dat de uitkering moest worden voortgezet. Uit de voorhanden zijnde stukken maakt de rechtbank op dat de ex-werkneemster pas op 23 september 2013 weer op het spreekuur van de verzekeringsarts is onderzocht, terwijl de verzekeringsarts in het meergenoemd verslag van 11 maart 2013 heeft aangegeven dat het dossier van de ex-werkneemster na zes weken weer zou moeten worden voorgelegd. Op 26 april 2013 is namens de verzekeringsarts weliswaar een ‘evaluatieverslag na 26 weken ziekte’ opgemaakt en ondertekend, maar daaruit kan niet worden afgeleid waar het standpunt op is gebaseerd dat de ex-werkneemster nog steeds arbeidsongeschikt is. Uit het verslag van dat onderzoek van 23 september 2013 kan naar dezerzijds oordeel vervolgens ook niet worden opgemaakt dat ex-werkneemster arbeidsongeschikt is gebleven. Integendeel, uit het verslag maakt de rechtbank op dat door de verzekeringsarts erkend wordt dat van arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk geen sprake meer is en dat de ex-werkneemster ‘respijt’ wordt gegeven vanwege de gezondheidssituatie van haar jongste kind zonder dat daarvoor een basis is te vinden in de ZW. In gelijke zin oordeelt de rechtbank over de verslaglegging door de verzekeringsarts op 23 januari 2014 naar aanleiding van het telefonisch contact met de ex-werkneemster op 16 december 2013 en het spreekuurcontact op 23 januari 2014. Blijkens de tekst van dit verslag is volgens de verzekeringsarts ‘eigenlijk geen sprake van arbeidsongeschiktheid’. De verzekeringsarts adviseert vervolgens om de ZW-uitkering te continueren ‘om hard te werken aan een acceptabel toekomstperspectief waarbij dan nadrukkelijk de mogelijkheden aan de orde moeten komen om haar jongste dochter toe te (leren) vertrouwen aan de zorg van anderen’. Dit advies is echter kenbaar niet gebaseerd op de conclusie dat sprake is van arbeidsongeschiktheid. De conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 11 september 2014 dat gedurende de gehele uitkeringsperiode sprake ‘zal zijn geweest’ van beperkingen als gevolg van mentaal belastende factoren, volgt de rechtbank dan ook niet. Op welk tijdstip geen sprake meer is geweest van arbeidsongeschiktheid in de zin van de ZW is op basis van de voorhanden zijnde gegevens niet met zekerheid vast te stellen. Aanknopend bij meergenoemd verslag van 11 maart 2013 stelt de rechtbank dat tijdstip op zes weken na 11 maart 2013, dat wil zeggen op 22 april 2013.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f0d1d040745cc9ddf9964a751560ab17274957d5ff9565e4cfd9510ea72a10c6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f0d1d040745cc9ddf9964a751560ab17274957d5ff9565e4cfd9510ea72a10c6, en de alinea staat in dat document op bytes 21877 tot 24518.