Citaat | Rechtbank Limburg 26 augustus 2015

Alinea 52 Rechtbank Limburg 26 augustus 2015

Een alinea uit Rechtbank Limburg 26 augustus 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:7211.

Ten overvloede zij verder gememoreerd dat aan de eerder genoemde brief van 11 juni 2014 niet de betekenis gehecht kan worden die Hoist eraan wenst toe te kennen. Eerstens al niet omdat het gestelde ‘versturen’ daarvan nog niet de ontvangst door [gedaagde] met zich brengt en Hoist nergens stelt dat [gedaagde] die brief kent en dus ontvangen heeft. Art. 3:37 lid 3 BW verleent - zoals Hoist hoort te weten - slechts rechtseffect aan een verzonden wilsuiting als deze door de geadresseerde ontvangen is en vanaf het moment dat die ontvangst vaststaat. Daarbij komt tot slot dat de formulering van de passage in die brief waar (deels) in vetletter het ‘verzoek’ vermeld is om ‘binnen 14 dagen na de datum van deze brief’ het (verder onvermeld gelaten) ‘totaalbedrag’ te voldoen, niet beantwoordt aan de eisen van art. 6:96 lid 6 BW: in relatie met de regel van art. 3:37 lid 3 BW immers is de aan de geadresseerde gegunde betaaltermijn simpelweg te kort gesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/32a23ca584e4ccfb8adb46f64df1f5e549f01f3250b9a98a5b5bc120837ba974. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 32a23ca584e4ccfb8adb46f64df1f5e549f01f3250b9a98a5b5bc120837ba974, en de alinea staat in dat document op bytes 27190 tot 28259.